Ismail Kadare verliest geloof in Albanese hervormingen

'Tot vandaag heb ik getracht bij te dragen tot de matiging van de methoden die het bewind in Albanie toepast. In de loop van mijn ontmoetingen (met partijleider en president Ramiz Alia) heb ik duidelijk gemaakt dat een zeer snelle, diepe en volledige democratisering van het land een imperatief is. Maar de gedane beloften zijn niet nagekomen en mijn desillusie is, net als die van de overgrote meerderheid van de Albanezen, des te verbitterder.'

Dat schreef gisteren Ismail Kadare, Albanie's grootste schrijver, in een verklaring waarin hij de buitenwereld op de hoogte stelde van zijn besluit, in Frankrijk politiek asiel te vragen. Het is een dramatisch besluit, niet alleen voor Kadare, de belangrijkste Albanese schrijver van deze eeuw, maar ook voor Albanie zelf. Kadare heeft de hoop op zinvolle hervormingen in zijn land opgegeven, en die conclusie is ronduit onheilspellend.

Vooral sinds de revoluties van vorig jaar in Oost-Europa heeft Ismail Kadare zich ontwikkeld tot de belangrijkste vlaggedrager van dat deel van de Albanese intelligentsia dat ijvert voor een radicale democratisering en voor een beeindiging van het isolement van het land. Tot vorig jaar gold hij 'slechts' als een internationaal belangrijke schrijver. Een schrijver van wereldformaat, dat zeker, vertaald in twintig talen en al jaren kandidaat voor de Nobelprijs, maar toch een schrijver die, als hij al kritiek uitte op de politieke en sociale omstandigheden in zijn land, daarvoor hooguit de gulden wapens van de ironie en de literaire metafoor inzette.

Veel maakte Kadare niet van die mogelijkheid gebruik. Kenmerkend voor zijn romans er zijn er zes in het Nederlands vertaald: De generaal van het dode leger, De bruiloft, De brug met de drie bogen, De regentrommen, De schemering van de steppegoden en Kroniek van de stenen stad is, of ze nu in het heden, het recente of het verre verleden spelen, de continuiteit van het eeuwige Albanie. De geschiedenis, de oorlog, de Turkse bezetting vaak terugkerende thema's vormen de facade van vaak prachtige poetische portretten van de Albanese samenleving. Het zijn boeken vol liefde voor het land en zijn bewoners. Een liefde die is terug te vinden in zijn subtiele beschrijvingen van de speurtocht naar een decennia eerder gesneuvelde generaal, en in die van het dagelijks leven, het bijgeloof, de paniek over hoopjes met azijn besprenkelde as, heksenballen van haar en nagels en altijd in het zwart geklede grootmoeders, die uit het schouderblad van de geslachte haan de toekomst kunnen lezen, en in die van zijn geboortestad Gjirokaster, die stad van grijze stenen tegen de berghelling, 'eeuwen geleden voor eens en voor altijd onwrikbaar op zijn vaste plaats neergezet', met een moskee als centrum en met boven op de berg een citadel waar men nog altijd een ooit buitgemaakte Amerikaanse straaljager en de museale restanten van de Turkse overheersing koestert.

Al die jaren genoot Kadare, eerst onder Enver Hoxha, de vader van het Albanese socialisme, vervolgens onder diens opvolger Alia, een bevoorrechte positie: hij kon meer, mocht meer. Als internationaal bekendste burger van Albanie werd hij door Tirana graag gebruikt als een kriskras door de wereld reizend reclamebord dat moest onderstrepen dat ook het harde bewind van dit geisoleerde bergland aan de Adriatische Zee weet wat beschaving is.

Na de Oosteuropese revoluties is Kadare, met in zijn kielzog een groeiend aantal schrijvers, journalisten en wetenschappers, echter in de aanval gegaan: zij brachten in de Albanese media een debat op gang over de noodzaak van democratisering en hervormingen. Kadare nam geen blad meer voor de mond: in samenwerking met hervormingsgezinde leiders rondom Ramiz Alia beleed hij een openheid die de Albanese samenleving in een stroomversnelling heeft gebracht, een samenleving die na 46 jaar stalinisme en schrikbewind van de Sigurimi de geheime politie die met Ceausescu's Securitate meer dan alleen de naam gemeen heeft op het gebied van stroomversnellingen maar weinig gewend was.

Kadare stoorde zich daar niet aan: hij stelde in een interview met het blad Drita, het blad van de Schrijversbond, 's lands conservatieven en dogmatici onomwonden op een lijn met 'de Servische chauvinisten' een lelijke vergelijking in de Albanese context. Kadare: 'Zij zijn anti-democraten, wetsschenners en schenners van de mensenrechten, ondersteund door horden incompetenten voor wie democratisering neerkomt op het opgeven van een warm hoekje en op een bedreiging van hun waardeloze prestaties. (...) Ze zijn herrieschoppers die achter de schermen ageren, met insinuaties strooien en die laten volgen door dreigementen: zij stellen lijsten samen van intellectuelen die moeten worden vervolgd, zij noemen zich ultrarevolutionairen, maar door zich tegen de cultuur van de natie te keren hebben ze de natie tegen zichzelf gekeerd.'

Het debat heeft in zoverre succes gehad dat een reeks voor Albanese begrippen spectaculaire veranderingen tot stand is gekomen, in de economie, waar wordt geexperimenteerd met een grotere autonomie van de bedrijven en de kleine privatisering in landbouw en detailhandel, in de politiek ook, waar weliswaar geen meerpartijensysteem is ingevoerd, maar waar straks wel meer kandidaten per zetel mogelijk zijn, waar geen beperkingen meer gelden op verkiezingsprogramma's en waar meer organisaties kandidaten naar voren kunnen schuiven. De openheid is onvergelijkbaar met nog slechts een jaar geleden en Albanie staat zelfs op het punt het in 1967 ingevoerde dogma van het atheisme af te schaffen en de kerken en moskeeen te heropenen. Godsdienstoefeningen worden nu al oogluikend toegestaan, er zijn islamitische geestelijken toegelaten en de gelovigen hebben hun jarenlang verstopte bijbels en korans uit de schuilplaatsen gehaald.

Elke verandering moet echter worden bevochten: achter de schermen woedt een heftige machtsstrijd tussen hervormers en conservatieven. Alia heeft een reeks successen geboekt. Maar het gaat langzaam te langzaam volgens Kadare.

Dat oordeel kan zijn beinvloed door de 'ambassadecrisis' van juli, toen vijfduizend Albanezen buitenlandse ambassades invluchtten en uiteindelijk het land mochten verlaten. Het incident heeft, voor zover dat valt na te gaan, geleid tot een drastische stemmingswisseling: het ongeduld bij de bevolking, vooral onder de studenten en intellectuelen is met sprongen gestegen. Men is niet bang meer, niet voor het bewind, niet voor de politie, niet voor de Sigurimi. Men gaat zonder vrees de gesloten kerken en moskeeen binnen, men uit zonder schroom zijn negatieve mening en men klampt op straat zelfs buitenlanders aan.

Tegen die achtergrond is de vlucht van Ismail Kadare dramatisch: de democratische oppositie raakt haar belangrijkste, haar onvervangbare kopstuk kwijt, de dappere sociologen, schrijvers en journalisten moeten het zonder hun meest prominente en meest begaafde aanvoerder doen. Dat is een grote zege voor de dogmatici. Belangrijker nog: de vlucht van Kadare is het morele faillissement van Ramiz Alia, hervormer op kousevoeten. Kadare heeft de hoop op Alia opgegeven en dat is een veeg teken. Als de Albanezen naast hun angst net als hun grootste schrijver ook hun hoop verliezen zijn ze tot alles in staat: wat een volk zonder angst en zonder hoop vermag heeft minder dan een jaar geleden Nicolae Ceausescu ondervonden.