In CDA wordt niet gestreden, hooguit beleden

Feest morgen bij het CDA. A raison van negentien gulden tachtig per persoon (hoezo praat alleen de PvdA over cijfers achter de komma?) kunnen partijleden in Den Haag het feestcongres bijwonen voor het tienjarig bestaan. En nog wel op precies dezelfde plaats waar op 11 oktober 1980 de fusie tussen KVP, ARP en CHU officieel werd bekrachtigd: het Nederlands Congresgebouw. Het vergadercentrum waar al zoveel politieke geschiedenis werd geschreven. Ooit sprak de toenmalige ARP-voorman Aantjes er zijn befaamde 'Bergrede' uit, ooit nam het PvdA-congres er de anti KVP-resolutie aan.

Maar die turbulente tijden zijn voorbij. Geheel in overeenstemming met het huidige politieke klimaat zullen morgen bij het CDA weinig wanklanken te horen zijn, het gaat immers goed met de partij. Er wordt nog steeds geregeerd en de polls blijven wijzen op winst voor het CDA. Opgericht als dam tegen de vluchtende kiezer, zit het CDA nu met het fenomeen een aantrekkelijke partij te zijn voor de zwevende kiezer. Geen enkele reden dus voor sombere verhalen.

De grootste zorg van de partij is dat men niet te zelfverzekerd wordt. Gaat het allemaal niet te makkelijk en worden er wel genoeg voorbereidingen getroffen voor het post Lubbers-tijdperk? De twijfels zitten vooralsnog vooral bij de mensen van vroeger. Bij iemand als oud-premier Biesheuvel bijvoorbeeld. Hij vertrok in 1973 uit de actieve politiek op een manier zoals dat christen-democraten wel vaker vergaat: abrupt. Om vervolgens te merken dat maar weinig partijgenoten hem probeerden tegen te houden.

Een maand geleden zei hij in een vraaggesprek met het CDA partijblad CD/Actueel: 'Ik vind mij niet in alle opzichten in het CDA terug. De nu tienjarige partij heeft de positie bereikt die ze bereikt heeft. Dat is knap, daar heb ik veel bewondering voor. Maar het CDA heeft iets te veel een haalbaarheidsinslag. Het pragmatisme in de partij is sterker dan ik gedacht had'.

Voeg bij pragmatisme de gave van conflictbeheersing en het mirakel van de 'wederopstanding' van het CDA is voor een belangrijk deel verklaard. Waar PvdA (eerste helft jaren tachtig) en VVD (tweede helft jaren tachtig) intern zo nu en dan een strijd van leven op dood voerden, straalde het CDA een oase van rust en dus redelijkheid uit. Het duo Scholten en Dijkman, dat volgens de overige CDA-Kamerleden de irritante hebbelijkheid had steeds maar weer uit het eigen verkiezingsprogramma te citeren, vormde de laatste stuiptrekking van het 'loyalisme', en verliet de fractie eind 1983. Vervolgens werd het stil in het CDA, muisstil.

Op ongekende wijze is de partij-top keer op keer erin geslaagd onrust in de partij de kop in te drukken dan wel zodanig te bagatelliseren dat zelfs de grootste tegenpolen gingen geloven dat men het volledig eens was met elkaar en dat het ook nooit anders was geweest.

Mediapolitiek? Jarenlang is door toedoen van de CDA-fractiespecialisten Van der Sanden en Beinema een op de moderne ontwikkelingen toegespitst beleid geblokkeerd, met als resultaat dat de revenuen van de in Nederland best bekeken zender nu naar het buitenland afvloeien. Bijna alle CDA-Kamerleden die zich geen mediaspecialist mochten noemen, dachten er anders over dan Beinema en Van der Sanden, maar zolang het in de fractie niet werkelijk op een stemming aankwam, kon eenheid worden geveinsd.

Het verkeers- ofwel auto-afremmend beleid van CDA-minister Maij-Weggen is een ander voorbeeld. In de fractie van het CDA bestaat een aanzienlijke autolobby, met het Kamerlid Mateman als een van zijn kleurrijke woordvoerders. 'En wie duwen we zo van de weg af? Juist, de werkende mensen en dan allereerst diegenen met een laag inkomen', schreef hij in een open brief aan zijn partijgenoot-minister. Verdeeldheid in het CDA? Richtingenstrijd? Welnee, suste fractievoorzitter Brinkman direct. 'Maij-Weggens beleid heeft de steun van de gehele fractie mits zij de maatregelen maar geleidelijk invoert.' Kortom, pragmatisch en conflictbeheersend.

Illustratief is de waarneming van het 'oudste' Kamerlid voor het CDA, Van Leijenhorst. Met onderbrekingen in verband met een staatssecretariaat (onder andere in het eerste kabinet Lubbers) is hij sinds 1971 lid van de Tweede Kamer, aanvankelijk voor de CHU. Deze week zegt hij in het jubileumnummer van CD/Actueel: 'In 1986 kwam ik terug in de fractie en ik heb me verbaasd over de eenheid die er heerste. Ik had die langzame groei niet meegemaakt en was gewoon beduusd hoeveel eenheid, consistentie en vertrouwen er in de fractie was. De eerste keer dat Bert de Vries het woord ging voeren en dat in de fractie besproken werd dacht ik: verdraaid er is geen stuk, want bij Aantjes moesten we tot op de komma alles bespreken. Ik verbaasde me erover dat er dus ook een stuk vertrouwen gedelegeerd werd naar de fractievoorzitter. Het was een volstrekt andere fractie.'

Er wordt in het CDA niet meer gestreden, hooguit beleden. En intussen vergeet men snel. Zo staat Lubbers nu te boek als de man die Nederland er na eind 1982 weer bovenop hielp. Vandaar dat in 1986 zijn 'karwei' moest worden afgemaakt en in ook 1989 opnieuw met hem 'verder' moest worden gegaan. CDA'ers willen liefst niet al te veel worden herinnerd aan de periode dat diezelfde Lubbers ten tijde van het kabinet Van Agt-Wiegel fractievoorzitter van het CDA was. De man die 's morgens in alle vroegte, als de gebouwen van de Tweede Kamer aan het Binnenhof nog geheel waren verlaten, op zijn kamer bezig was met het bedenken van weer andere alternatieven voor het bezuinigingsprogramma (Bestek '81) van het kabinet. Het heeft de verhouding tussen Lubbers en Van Agt blijvend beschadigd. In Vrij Nederland zei Van Agt in 1989: 'Wat me steekt is dat het fractievoorzitter Lubbers is geweest die bij de discusie in de Tweede Kamer over de begroting 1980 zware schade heeft toegebracht aan de eerste poging sinds Drees om de overheidsfinancien weer onder controle te krijgen. Bestek '81 werd gebrandmerkt als overbodig, paniekerig, geenszins noodzakelijk. Als dan eenzelfde sleutelfiguur, eenmaal aan de macht gekomen, bij herhaling verkondigt dat hem de ondankbare taak is toegevallen om de chaos te saneren, dan maak ik onplezierige ogenblikken in mijn bestaan door.'

Hoe zal het zijn met de gemoedstoestand van oud-minister van financien Ruding? Sedert zijn eerste eigen Miljoenennota, die van 1984, heeft hij gewaarschuwd voor de structurele onevenwichtigheden in de Nederlandse economie. In zijn begroting van vorig jaar, schreef Ruding dat de daarin aangekondigde belastingverlaging slechts als een eerste stap kon worden beschouwd. Het was dan ook zijn laatste begroting, want over lastenverlaging spreekt het CDA tegenwoordig niet meer. Ruding werd bedankt voor de bewezen diensten, hield officieel de eer aan zichzelf en kan sinds enkele maanden als voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond van de zijlijn af verdere belastingverlaging bepleiten. Het voor de PvdA zo kenmerkende economendebat is in het CDA nooit gevoerd, maar toch is het beleid van de eerste zeven jaar Lubbers geruisloos bijgesteld.

Premier Lubbers stelde dit voorjaar in een interview met het NCW-blad De Werkgever tevreden vast dat een zekere slijtage van de traditionele ideologieen waarneembaar was. Deze volgens hem 'in het algemeen gesloten waardensystemen' lieten weinig ruimte voor 'een dialoog met de werkelijkheid'. De ideologie van het CDA is nu meer dan ooit het indertijd voor de KVP al zo kenmerkende pragmatisme. Het pragmatisme dat nu ook door de andere partijen is ontdekt en de Nederlandse politiek, om met ex-VVD-leider Voorhoeve te spreken, heeft veranderd in een bord soep met een kleine rand. In plaats van het CDA tot keuzes te dwingen, kiezen de andere partijen ook maar niet meer. Het politieke debat is verstomd. De politici hebben het ideaal vervangen door de gemeenschappelijke oplossing. Het CDA heeft morgen met recht iets te vieren.