Iedereen moet weten dat ik vrolijk ben; Het leven enopvattingen van Laurence Stern

De achttiende-eeuwse Engelse priester Laurence Sterne werkte acht jaar aan The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman, de merkwaardige autobiografie van een veertigjarige heer die zijn leven ziet als een reeks rampen en ongelukken. Het boek verschijnt binnenkort in Nederlandse vertaling. Arjen Schreuder reisde naar Yorkshire, waar Sterne heeft gewoond en sprak in St. Ives met de vertalers Jan en Gertrude Starink. 'Sterne's voornaamste zorg was niet het verzinnen van verhalen, maar hoe die verhalen aan elkaar te praten.'

Voor de derde keer verschijnt binnenkort een Nederlandse vertaling van The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman, een dik boek dat van 1759 tot 1767 werd geschreven door de Engelse priester Laurence Sterne. De eerste Nederlandse vertaling werd al in 1776 gemaakt door Bernardus Brunius, de tweede in 1852 door Mark Prager Lindo en de huidige vertaling is van Jan en Gertrude Starink. Zij hebben langer over het boek gedaan dan Sterne zelf, namelijk veertien jaar, maar omdat ze er vooral de laatste vijf jaar hard aan hebben gewerkt willen ze niet spreken van een heldendaad. Bovendien hebben ze het met plezier gedaan.

Tristram Shandy gaat over een man die een boek over zijn leven aan het schrijven is, en over de gedachten die daarbij in zijn hoofd opkomen. Wat hij schrijft is het boek dat wij lezen. Bescheidenheid is deze Tristram Shandy vreemd. Zo citeert hij een bisschop die heeft gezegd dat het afschuwelijk is om jezelf te prijzen. Ik geloof zeker dat dat zo is, beaamt Tristram Shandy, maar ik geloof dat het even afschuwelijk is om iets op meesterlijke wijze te hebben volbracht zonder dat iemand het ooit ontdekt, zodat je sterft terwijl alleen het vermoeden van dat meesterschap in je hoofd ligt te rotten. En hij schrijft: This is precisely my situation.

Tristram Shandy is ruim veertig jaar oud als hij in 1759 achter zijn bureau gaat zitten om eerst plechtig te verklaren dat het leven afschuwelijk is en dat hij zichzelf beschouwt als het slachtoffer van rampen en ongelukken. Hij veronderstelt dat zijn ellende is begonnen bij zijn verwekking; hij heeft weleens gehoord dat zijn vader tijdens de verwekking abrupt werd onderbroken door de vraag van zijn moeder of hij niet was vergeten de klok op te winden. U moet namelijk weten, schrijft Tristram Shandy, dat mijn vader gewend was elke eerste zondagavond van de maand zowel het een als het ander af te handelen, en mijn moeder nooit aan het een kon denken zonder daardoor aan het ander te worden herinnerd. Hoe dan ook, vervolgt hij, het schijnt dat mijn vader ontsteld was over haar vraag en misschien is deze ontsteltenis op zo'n belangrijk ogenblik wel de eerste oorzaak van mijn ellende geweest.

Hoofd vooruit

Volgt zijn relaas over hoe het ene ongeluk het volgende in de hand werkte.

Dat hij op 5 november 1718 met het hoofd vooruit ter wereld is gekomen, wat hem van belang lijkt omdat zijn vader altijd zei dat alles wat ons tot unieke mensen maakt zich in het hoofd bevindt, en dat om druk op de schedel zoveel mogelijk te vermijden kinderen het beste met de benen vooruit kunnen worden geboren.

Dat zijn neus tijdens de geboorte door een nieuw soort verlostang is verbrijzeld, wat aan de ellende kan hebben bijgedragen omdat zijn familie hem altijd heeft verteld dat een lange neus iets is om trots op te zijn.

Dat zijn vader heeft geprobeerd de schadelijke gevolgen van dit ongeluk teniet te doen door hem te vernoemen naar de geleerde Trismegistus, maar dat de dienstmeid de naam verkeerd heeft verstaan en hij met de droevige naam Tristram is gedoopt, wat ook een oorzaak kan zijn omdat de schrijver zich de theorie van zijn vader herinnert dat een naam van doorslaggevende invloed is op iemands karakter.

We zijn nu halverwege. Het is inmiddels duidelijk wat een trage verteller deze dwaze Tristram Shandy is. Hij rechtvaardigt zich door erop te wijzen dat het niet gemakkelijk is een leven te vertellen, vooral niet voor diepzinnige mensen die zich er voortdurend van bewust zijn hoe ingewikkeld een leven in elkaar steekt. En hij verzint van alles om althans onze aandacht vast te houden. Hij schrijft hoofdstukken van maar een zin, bij voorbeeld: De kaart van mijn oom Toby wordt de keuken binnengebracht. Ook wemelt zijn boek van de streepjes en sterretjes op de plaats van woorden en zinnen die ons volgens hem in verlegenheid hadden kunnen brengen. Er ontbreken tien bladzijden die hij bij wijze van experiment heeft geschrapt en waarvan hij de inhoud in het volgende hoofdstuk zegt na te vertellen. Op een lege pagina mogen we van hem onze ideale vrouw tekenen. Hij drukt een gemarmerde bladzijde af die hij omschrijft als het embleem van zijn zeer moeilijk te doorgronden boek. En aan het einde van een verhaal over een miskende priester die sterft aan de slechtheid van de wereld, komt hij aanzetten met een zwarte bladzijde waarvan hij 171 bladzijden verderop beweert dat er vele meningen, transacties en waarheden op mysterieuze wijze onder verborgen liggen.

Opvoeding

We lezen verder. Vader Shandy blijkt niet bij de pakken te hebben neergezeten en heeft voor zijn zoon een zogeheten Tristrapaedia geschreven, een systematische opvoeding van dag tot dag. Dit boek schiet zijn doel voorbij doordat zijn vader zo nauwkeurig werkt dat het schrijven van de Tristrapaedia langzamer verloopt dan het leven van Tristram zelf. Als mijn vader sneller had geschreven, veronderstelt Tristram Shandy, dan zou hij misschien op tijd een hoofdstuk hebben gewijd aan het gevaar van schuiframen voor kinderen, en zo hebben voorkomen wat mij op vijfjarige leeftijd overkwam: toen ik namelijk op een dag ontdekte dat er geen po onder mijn bed stond, schoof ik het raam omhoog, deed wat ik moest doen en raakte gewond toen het raam waarvan iemand de gewichten had weggenomen met volle kracht weer naar beneden suisde, bovenop het uiteinde van het lichaamsdeel waarvan ik me aan het bedienen was.

Nog is het niet afgelopen. Tristram Shandy vertelt dat de mensen in het dorp daarna hebben gefluisterd dat het vallende raam een zeer ernstige verminking heeft veroorzaakt, en dat zijn vader tegen deze wilde geruchten de volgende list verzint: Tristram zal in plaats van rokken voortaan een strakke broek dragen, zodat voor iedereen duidelijk is dat het ongeluk dan misschien wel gevolgen heeft gehad, maar toch niet zulke grote gevolgen als sommigen wel hebben beweerd.

Het einde nadert en nog steeds weten we niet veel meer dan de gebeurtenissen tot zijn vijfde jaar. In de laatste twee delen doet Tristram Shandy dan nog verslag van een reis die hij op latere leeftijd heeft gemaakt door Frankrijk en Italie, waar hij het ene opwindende avontuur na het andere beleeft omdat hij zo galant is, en van de verliefdheid die een oom van hem heeft opgevat voor een weduwe die nog kinderen wil. Op een dag komt deze weduwe naar de argeloze oom Toby toe en vraagt hem of hij eens wil kijken of zich in haar linkeroog misschien een spikkeltje of een zandkorreltje bevindt. Het zit niet in het wit, zegt ze, en oom Toby begint te kijken. Met alle macht staart hij in het stralende oog en hij kan niets ontdekken. De weduwe zegt nog eens dat het niet in het wit zit en oom Toby kijkt nog aandachtiger maar vindt weer niets. Hij kijkt in de pupil van het stralende oog en weer kan hij niets ontdekken maar inmiddels doet het er al niet meer toe of er nu wel of geen spikkeltje of zandkorreltje in het oog zit want het is al te laat, oom Toby is verliefd. Even later is het boek afgelopen.

Rampen

Waarom heeft Laurence Sterne deze autobiografie verzonnen? Leidde hij als Tristram Shandy een leven van rampen en ongelukken en wilde hij deze van zich af schrijven? Dat ligt voor de hand want uit de belachelijke autobiografie van Tristram Shandy spreekt de opvatting van Sterne dat niet rampen en ongelukken ons ongelukkig maken, maar de betekenis die we aan die rampen en ongelukken toekennen. Als Tristram Shandy zich bij voorbeeld wat minder had aangetrokken van de theorieen van zijn vader, dan was hij lang zo ongelukkig niet geweest. Ik blader terug naar de titelpagina en zie het motto van Epictetus weer staan: Mensen tobben niet door de dingen zelf, maar door de gedachten over die dingen.

Wat kunnen de rampen en ongelukken in het leven van Laurence Sterne zijn geweest? Er bestaat iets wat op een autobiografie lijkt; op 5 september 1758 schreef Sterne voor zijn enige dochter Lydia zijn herinneringen op in zestien bladzijden van een klein boekje. Hij meldt hierin op kalme toon dat hij op 24 november 1713 werd geboren in het Ierse plaatsje Clonmell. Zijn overgrootvader blijkt aartsbisschop van York te zijn geweest. Over zijn moeder schrijft hij niet veel. Zijn vader Roger Sterne was soldaat. Sterne noemt hem geduldig onder alle uitputting en tegenslag, vriendelijk en goedmoedig en zo argeloos in zijn bedoelingen dat hij geen sterveling wantrouwde, zodat je hem tien keer per dag had kunnen bedriegen als negen keer al niet genoeg was geweest. Dit laatste lijkt Sterne er later bij te hebben geschreven.

Negen jaar later heeft Sterne het boekje opnieuw gepakt en er acht bladzijden aan toegevoegd. Hij is inmiddels een beroemd schrijver en heeft zich blijkbaar bedacht niet langer alleen aan Lydia te schrijven maar misschien ook aan een groot publiek, want hij trakteert ons op vlotte dialogen en veelzeggende anekdotes. Zo heeft hij als scholier eens op het plafond van het klaslokaal met grote letters zijn naam geschilderd, en daarna heeft het schoolhoofd gezegd dat de naam nooit meer mocht worden uitgewist omdat Sterne zo'n geniale jongen was. Hij heeft gestudeerd in Cambridge en daar een vriendschap voor het leven gesloten met de dichter John Hall-Stevenson. In 1741 is hij getrouwd. Zijn machtige oom Jacques Sterne heeft hem een kerkelijke functie in York bezorgd. Hij is benoemd in de dorpen Sutton en Stillington en later in Coxwold. Hij heeft artikelen geschreven in kranten voor de kerk in York. Hij heeft ruzie gekregen met zijn oom Jacques toen hij daarmee ophield. Hij heeft twintig jaar in Sutton gewoond. En in 1760 is hij verhuisd naar het dorp Coxwold, twintig kilometer ten noorden van York.

Kanunnik

Niet bekend

Jan en Gertrude Starink hebben een antiquariaat en wonen in een mooi en klein huis vlak aan zee. Ze vertellen dat ze Sterne in het begin een vervelende man vonden, een naarling die ze bij wijze van spreken liever niet over de vloer zouden hebben. Later gingen ze hem aardiger en slimmer vinden.

De zee ruist en de vertalers zeggen dat het verkeerd is om Sterne te beschouwen als een plattelandsdominee die op een dag een geniaal idee kreeg voor een boek en dat idee vervolgens heeft uitgewerkt. The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman is een boek dat schrijvenderwijs is ontstaan. Ze vergelijken Sterne met een journalist die goed om zich heen keek en alles gebruikte wat hem in zijn kraam te pas kwam: artikelen uit de Yorkse kranten; verhalen van Rabelais, Shakespeare en Cervantes; gedachten van Montaigne en Locke; vermaningen uit brieven van een bisschop die hem tot de orde roept; passages uit boeken over vestingbouw; een preek die hij in 1750 zelf in de kathedraal van York had gehouden; en alles wat hem tijdens het schrijven aan zijn bureau in Coxwold overkwam, tot hoesten en bloeden aan toe. Sterne's voornaamste zorg was daarbij niet het verzinnen van verhalen, maar hoe die verhalen aan elkaar te praten. Hij heeft het schrijven zelf eens omschreven als: snoeien, spitten, graven, oude wortels weghakken en afval wegkruien.

De zee ruist en Jan en Gertrude Starink zeggen dat er voor de jonge Sterne na zijn studie in Cambridge een mooie kerkelijke carriere in het verschiet had gelegen. Maar hij hing in York te veel de gebraden haan uit en maakte door zijn narrige gedrag zoveel vijanden, dat hij nooit verder kwam dan de functies die hem al kort na zijn studie waren vergund: niet-residerend kanunnik in het kapittel van York en prebendaris van de dorpen Sutton, Stillington en later Coxwold. Sterne schreef in de kranten omdat hij zo goed het standpunt van anderen onder woorden kon brengen maar hij hield daarmee op omdat hij voor zichzelf wilde schrijven. Daarmee haalde hij zich de woede van zijn machtige oom Jacques op de hals en deze schijnt toen uit wraak Sterne's moeder buiten zijn medeweten in een armenhuis te hebben ondergebracht, en luid te hebben verkondigd dat zijn neef Laurence Sterne dan wel de liefde tot God predikte, maar zelf nog te beroerd was om zijn moeder te onderhouden. Een merkwaardig verhaal. Tenslotte had Sterne in 1758 A political romance gepubliceerd, een satire op de baantjesjagerij in York en bedoeld om een oude studievriend die inmiddels deken van York was te verdedigen. Maar deze bleek daar niet van gediend en het boekje werd uit de handel genomen en verbrand.

De vertalers zeggen dat Sterne door dit alles een kwaaie kop had en zich wilde rechtvaardigen. Hij wilde een satire schrijven op alles wat hij bespottelijk vond en daarmee aantonen dat hij slimmer was dan alle dommeriken in York die bij gebrek aan gewicht omhoog waren gevallen en hem hadden gehinderd in zijn carriere. Vergelijk hem met Multatuli. Hij wilde de wereld laten weten dat er op het platteland in midden-Engeland een prebendaris zat weg te rotten die zulke mooie boeken kon schrijven, zo mooi dat men misschien eens in overweging zou kunnen nemen hem in York te benoemen tot residerend kanunnik of tot aartsdiaken of deken of bisschop of aartsbisschop.

De zee blijft maar ruisen en Laurence Sterne kreeg in zoverre gelijk dat de eerste twee delen van Tristram Shandy een groot succes werden. Hij werd de Engelse Rabelais genoemd en liet zich in Londen door het literaire publiek bewonderen. Maar de volgende delen werden door de kerk en de kranten gekritiseerd. En hij werd niet tot deken benoemd. En ook niet tot aartsbisschop. Dat moet een grote teleurstelling zijn geweest. Er komt in zijn brieven net iets te vaak het woord mijter voor om te denken dat het geen grote teleurstelling is geweest. De schrijver stierf in 1768.

Jan en Gertrude Starink zijn moe van het vertellen. Tenslotte zeggen ze dat Sterne een zwaarmoedig man is geweest. Dat hij zichzelf in het boek heeft beschreven als de priester Yorick, die strijdt tegen de slechtheid van de wereld en daar uiteindelijk aan sterft. De vertalers vertellen over Sterne's vriendschap met de dichter John Hall-Stevenson. Hall maakte cock and bull gedichten, onsamenhangende verhalen waarin bedoelingen versluierd worden weergegeven. Rabelais was er ook goed in. In een van deze gedichten gebruikt Hall het beeld van Jonas en de walvis om Sterne na de publikatie van Tristram Shandy te feliciteren met de herrijzenis van de getrapte Yorick als Tristram. Maar Hall is ook bang dat Sterne terug zal vallen in zijn wrok en chagrijn. Dat hij opnieuw als de zieke Yorick zal zeggen dat zelfs wanneer er alsnog mijters uit de hemel zouden vallen, ze niet meer op zijn geblutste hoofd zouden passen, gewond van alle klappen. Hall schrijft over de profeet Eliza die liep te mokken en door kinderen met stenen werd bekogeld. En Hall schrijft: was Eliza in plaats van te lopen mokken eens gaan zitten om wat te drinken en te praten It would have cured the spleen and saved a lapidation.

Lichaam

Ligt het voor de hand om in midden-Engeland zwaarmoedig te worden? Is het platteland van Yorkshire echt iets om op weg te rotten? Ik reis naar Coxwold en zie op de kaart dat als we ons Engeland voorstellen als een menselijk lichaam, Coxwold ongeveer in het midden daarvan ligt. Onderweg droom ik over Sterne. Het is 1759. Sterne heeft een kwaaie kop en vraagt zich af hoe hij het beste een beroemd schrijver kan worden. Hij wrijft zich over zijn lange neus en bedenkt dat hij niet zelf een autobiografie moet schrijven, maar moet doen alsof iemand anders zijn leven beschrijft. Hij denkt in mijn droom als volgt. Ik verzin een schrijver Tristram Shandy en laat hem mijn leven omkeren en overdrijven, zoals men na een dag met slecht weer plechtig kan verklaren dat het een stralende dag is geweest. Mijn vader laat ik als een overdreven sluwe man beschrijven. Mijn moeder beschrijft hij als een overdreven verstandige vrouw. Mijn oom Jacques wordt een een overdreven bescheiden en kuise man. En zichzelf beschrijft hij als een overdreven droevige schrijver. Sterne glimlacht. De lezers zullen lachen om de overdrijvingen en het gevoel krijgen dat het leven van de echte schrijver precies omgekeerd is. Dat mijn vader een argeloze man is geweest. Dat mijn moeder een redeloze vrouw moet zijn geweest. Dat mijn oom Jacques een sluwe en geile en onbescheiden man is geweest. En dat ik een vrolijke schrijver ben. En daar hebben ze gelijk in. Want zo is het ook. En ik wil dat iedereen dat weet. Want als niet iedereen weet dat ik vrolijk ben, ben ik niet meer vrolijk.

Ik kom aan in Coxwold. Wat een mooi dorp. Ik zie het huis waar Sterne de laatste acht jaar van zijn leven heeft gewoond, waar hij schreef aan Tristram Shandy en ook aan A sentimental Journey through France and Italy, het boek dat hij meteen daarna schreef en waar hij nog beroemder mee is geworden. Het huis van Sterne is nu een mooi museum en het heet Shandy Hall, zoals Sterne's vrienden het al noemden. Het wordt bewoond door Julia en Kenneth Monkman, die beiden niet de indruk wekken iets niet over Laurence Sterne te weten. Kenneth Monkman publiceert regelmatig over Sterne maar er wordt wel gefluisterd dat hij nog meer over de schrijver weet dan hij zegt te weten. Dat hij misschien een la heeft waarin zich nog allerlei verbluffende documenten bevinden. Monkman laat er zich niet over uit. Hij zegt dat Sterne zijn taak als prebendaris in Coxwold altijd naar behoren heeft volbracht. Sterne was een populaire predikant en wanneer hij als niet-residerend kannunik van het kapittel enkele malen per jaar moest preken in de kathedraal van York waren de andere kerken leeg. Sterne was ook erg op vrouwen gesteld. Hij verleidde ze met woorden. Hij was een geniaal schrijver.

Schedel

Ik wandel naar de kerk van Coxwold en daar sta ik dan, oog in oog met de resten van een miskend priester en een beroemd schrijver, namelijk een grafsteen met de tekst Alas poor Yorick en Ah! Molliter ossa quiescant. Onder de grond schijnt de schedel van Laurence Sterne te liggen. Zeker is het niet. Men zegt dat na zijn dood en begrafenis in Londen Sterne's lichaam door grafschenners is verkocht aan een universiteit. Daar is zijn schedel gelicht. Misschien omdat men op de universiteiten verlegen zat om schedels. Misschien ook omdat men Tristram Shandy letterlijk heeft genomen toen hij klaagde over hoe ingewikkeld het is om zoveel verschillende verhalen in een boek aan elkaar te praten: Such a head! would to heaven my enemies only saw the inside of it! Het lichaam van Sterne is teruggebracht naar de begraafplaats in Londen. Tweehonderd jaar later liet Kenneth Monkman zes achttiende-eeuwse schedels opgraven en koos een schedel met afgezaagd en weer bevestigd schedeldak. Monkman wist dat Sterne een grote man met een opmerkelijk klein hoofd was geweest. Hij leek op een vogel. Monkman heeft de schedel opgemeten en vergeleken met de buste van Sterne. Het klopte. De schedel werd met enkele botten overgebracht naar Coxwold. En in de zomer van 1969 heeft de kanselier van het kapittel in York de resten van de achttiende-eeuwse niet-residerend kannunik van het kapittel van York opnieuw begraven, hier.

Ik loop de kerk binnen en daar sta ik dan, alweer oog in oog met de resten van een miskend priester en een beroemd schrijver, namelijk zijn preekstoel. Ernaast ligt een Breeches Bible, gedrukt in de zestiende eeuw en zo genoemd omdat er in Genesis een afwijkende vertaling is gemaakt van datgene waarmee Adam en Eva hun naaktheid bedekken na het eten van de boom van kennis. De meeste vertalingen spreken van schorten of van gordels maar hier wordt van broek gesproken. Ik sla weer aan het dromen en zie Sterne de bijbel doorbladeren. Hij wrijft over zijn lange neus en ziet Adam en Eva met schorten voor en daarna ziet hij ze met broeken aan. Hij kijkt en vergelijkt en bedenkt dat Adam en Eva zich in beide gevallen schamen waarvoor alle mensen zich schamen maar dat in het ene het geval toch duidelijker is waarvoor ze zich schamen dan in het andere. Sterne slaat de bijbel dicht en wandelt van de kerk naar zijn huis en hij denkt weer na over hoe men een beroemd schrijver wordt. Hij besluit dat men geruchten met eigen middelen moet bestrijden. Men moet niet zeggen dat men een goed mens is. Men moet suggereren dat men een goed mens is. Men moet zich niet schamen. Men moet suggeren dat men zich schaamt. Men moet niet de waarheid spreken. Men moet suggereren dat men de waarheid spreekt. Zo houdt men de geruchten over zichzelf in stand. Ik loop de kerk uit en denk: zo wordt men een beroemd schrijver.

ARJEN SCHREUDER

Het leven en de opvattingen van de heer Tristram Shandy verschijnt over enkele weken bij uitgeverij Athenaeum Polak en Van Gennep. Prijs fl.85, - (geb.) en fl.59,90 (pap.).