Een zwak voor mindere goden; Roman van Theun de Vries overcomponist Puccini

Wat doet een schrijver die wel eens een verre reis zou willen maken, maar er niet toe komt om te gaan? Hij zendt een plaatsvervanger. Het zal wel toeval zijn dat Theun de Vries en Jeroen Brouwers in hun nieuwe, vlak na elkaar verschenen romans hun hoofdpersonen allebei naar New York laten reizen, een stad die zij alleen kennen van horen zeggen. Al even toevallig is het dat zij allebei een componist afvaardigden, een componist van omstreeks vijftig jaar, in een kritische levensfase, want met huwelijksproblemen en vervuld van twijfel aan zichzelf. Hier houdt de vergelijking tussen De premiere en Zomervlucht wel op, alleen al omdat de componist van De Vries in 1910 aangewezen was op de boot, terwijl Brouwers de zijne, in een veel recenter heden, laat vliegen.

Ook in formeel opzicht is er een duidelijk verschil tussen deze twee romans. De gefingeerde musicus van Brouwers zit opgesloten in een strakke romancompositie, terwijl de opera-componist Giacomo Puccini van De Vries heel wat meer armslag krijgt. Dat mag vreemd klinken voor een historisch verantwoord personage, maar ik bedoel ermee te zeggen dat Puccini niet ondergeschikt is gemaakt aan een dwingende vorm, aan een overkoepelend thema, of aan een leidende gedachte.

De Vries laat in het midden waar het hem in deze roman precies om gaat: om Puccini of New York, om muzikale besognes of om een kunstenaarsleven, om de artistieke waarde van zijn opera La Fanciulla del West (Het meisje uit het gouden westen), of om die ene uitvoering ervan. Maar je kunt ook zeggen dat het hem om alles tegelijk gaat en hij dus niet heeft hoeven kiezen. Op zijn rustige, ouderwets degelijk aandoende manier bracht De Vries bijeen wat hij wist van Puccini en het New York uit het begin van deze eeuw. Soms ontglipt hem daarbij wel eens een zin uit een vorige eeuw, onder andere wanneer hij Puccini zijn zoon laat toevoegen: 'Vaar ter helle, jij schelm!'

De premiere is een breed uitwaaierende roman, zonder duidelijk middel- of hoogtepunt, waarin te lezen valt hoe het Puccini verging in de tien dagen voorafgaand aan de eerste opvoering van zijn Fanciulla, in december 1910. En dus ziet men hem met elektrische treintjes spelen, een brief schrijven aan zijn ziekelijk jaloerse vrouw, zich vergapen aan een van de eerste Rolls Royces, door New York jakkeren met een paardentaxi, een bordeel bezoeken, zijn opera nog maar eens doorbladeren, tobben over zijn gezondheid en over zijn toekomst. Kleurrijke tijdgenoten van Puccini wekte De Vries overtuigend tot leven, zoals de strenge en hautaine dirigent Toscanini, de enigszins vulgaire muziekuitgever Ricordi en de beroemde, kettingrokende tenor Caruso, die een van de hoofdrollen vervult in La Fanciulla.

De Vries heeft een zwak voor de wat mindere goden onder de kunstenaars. De musicus Wolf liet hij in Motet voor de kardinaal leven in de schaduw van Josquin des Prez. De Franse acteur Baron leefde in de gelijknamige roman in de schaduw van Moliere. Zo leeft ook Puccini in De premiere in het besef dat hij een meerdere heeft, die hij nooit zal kunnen evenaren: Verdi, 'de Oude'. De 'grande opera', de grote greep, ligt buiten het bereik van Puccini, die zich beperkt tot 'het wel en wee van kleine, kwetsbare stervelingen', die geleid worden door sterke sentimenten en oerdriften. Puccini bevond zich, zo rond de eeuwwisseling, tussen het oude en het nieuwe, aan het eind van een lange, eerbiedwaardige operatraditie en nog niet in staat de overgang te maken naar de minder harmonieuze, nieuwe muziek. Strawinsky, Richard Strauss en Debussy lieten zich weinig vleiend uit over zijn opera's, al was Webern misschien nog het meest dodelijk, door op de vraag wat hij vond van Puccini te antwoorden: 'Hoegenaamd niets'.

Van het publiek kreeg hij meestal een warm onthaal, de kritieken waren vaak gunstig, maar hij was altijd onzeker over de ontvangst van zijn werk. In veel opzichten blijkt hij een wisselvallige, een man uit twee stukken en daardoor een wat tragische, maar ook interessante romanfiguur. Hij distantieert zich van de billenknijperij van zijn vrienden, maar betwijfelt of hijzelf, met zijn subtielere verleidingspogingen, wel zoveel beter is. 'Tweeenvijftig jaar, en nog niet het geheim van de ware existentie ontdekt, niet in boeken, partituren, kunstwerken, niet tussen vrouwenbenen, niet in mijzelf, ' laat De Vries hem verzuchten.

Wildwestopera

Van zijn weekhartige, vrouwelijke imago hoopte hij zich in een klap te bevrijden door La Fanciulla, een heuse wildwestopera, waarin flink geschoten en op vurige paarden rondgereden wordt. Maar het grappige van deze opera is nu juist, dat de mannen knoestige, primitieve en keiharde goudzoekers ruim in de meerderheid zijn, maar dat zij als makke schapen reageren op de ene vrouw die in het stuk voorkomt. 'Hallo Minnie', zingen zij zoetsappig als zij de saloon binnenstapt om met een enkel gebaar een groepje vechtende mannen te scheiden.

Het is een onzekere, besluiteloze Puccini die in De premiere ten tonele wordt gevoerd, zich pijnlijk bewust van de onbestendigheid van het bestaan. Steeds is hij op zijn hoede, beducht op aanvallen, bang om zich ergens over uit te moeten spreken. De Vries laat hem veel denken en tobben, zonder dat hij tot eenduidige beslissingen of daden komt. Wie hij nu eigenlijk is, wordt dan ook niet duidelijk en dat is geen tekortkoming, maar juist de verdienste van deze roman. Een mooie aanvulling op dit dubbelzinnige kunstenaarsportret is de karikatuur die Caruso in 1910 maakte van de maestro. Hij tekende niet het gezicht, maar het achterhoofd van Puccini, een vierkant en onverzettelijk achterhoofd dat overgaat in een vervaarlijke nek, met helemaal bovenop, als een kwetsbaar deksel, een strooien zomerhoedje.