Een razend talent voor aanpassing; Biografie van Irving Berlin

As Thousand Cheers heet de biografie van de legendarische liedjesschrijver Irving Berlin. Tientallen van zijn songs, zoals White Christmas en God Bless America, zijn door honderden artiesten vertolkt: 'Berlin wist wat hen toekwam, je bestelde een hit bij hem en negen van de tien keer leverde hij die.'

Irving Berlin overleed vorig najaar, maar hij behoorde al jarenlang tot het verleden. Toen in 1988 zijn honderdste verjaardag werd gevierd, luidde de meest gestelde vraag: leeft hij dan nog? De componist van het beste lied over de show business (There's no business like show business), het populairste kerstlied aller tijden (White Christmas), het alternatieve Amerikaanse volkslied (God bless America) en het legendarische Alexander's ragtime band was een man van vroeger geworden, een man van een vorige eeuw, die alleen nog als een aasgier op zijn copyrights paste en zich nergens meer liet zien. Sinds zijn verkooprecords in de jaren zestig werden gebroken door snotneuzen als John Lennon en Paul McCartney, verdween hij uit de publiciteit. Interviewers stond hij niet meer te woord, aan een biografie wilde hij niet meewerken.

Laurence Bergreen begon vijf jaar geleden te werken aan de Berlin-biografie die nu is verschenen. De toen 97-jarige hoofdpersoon en zijn familie hielden zich afzijdig; tijdens zijn lange carriere had Berlin zichzelf een levensgeschiedenis en bijpassend imago geschapen, dat hij niet gecorrigeerd of genuanceerd wilde zien door onafhankelijk onderzoek. Een van zijn allerlaatste contacten met de buitenwereld dateerde uit 1971, toen een vooraanstaand musicoloog hem de drukproeven toezond van een sindsdien als standaardwerk beschouwd boek over de Amerikaanse populaire muziek. Irving Berlin werd daarin geprezen als de man die decennia lang de Amerikaanse tijdgeest in songs had vastgelegd. Slechts bij enkele van de honderden Berlin-nummers was een kritische kanttekening geplaatst. De componist ontplofte, greep de telefoon en schold de auteur de huid vol. Hij was, concludeert Bergreen, zijn leven lang onzeker gebleven hij ging gebukt onder een minderwaardigheidsgevoel jegens collega-componisten, wier muzikale techniek de zijne ver overtrof. De musicoloog had hem geraakt op een zwakke plek. Voortaan beschouwde Berlin de buitenwereld als een vijandige omgeving, waar men het uitsluitend had gemunt op zijn geld en zijn reputatie.

Het is maar goed dat de biograaf heeft doorgezet. Op de valreep kon hij nog tientallen tijdgenoten van Irving Berlin raadplegen; een aantal van hen is intussen eveneens overleden. Daardoor heeft het eerste boek over Berlin sinds diens dood meteen het karakter van een definitieve biografie. Volgens een bericht in de New York Times zouden de erfgenamen van plan zijn een geautoriseerde biografie te laten schrijven, maar ik kan me niet voorstellen dat er aan de 658 pagina's van Bergreen nog veel valt toe te voegen. Hooguit misschien dat vader in de huiselijke kring een stuk vriendelijker was dan de lichtelijk paranoide kluizenaar die in dit boek zijn laatste dagen slijt.

In grote trekken was al bekend hoe Izzy Baline als immigrant uit tsaristisch Rusland terechtkwam in de jodenwijk van New York, op zijn dertiende het huis uitging en via een baantje als zingende ober in de muziekuitgeverij belandde. Maar hier wordt dat beeld aangevuld met duizenden kleurrijke details, correcties op eerdere publicaties en preciseringen waar tot dusver Berlin altijd op zijn woord was geloofd. Bergreen beschrijft een knaapje dat vurig verlangde naar assimilatie en gaandeweg een razend talent ontwikkelde voor aanpassing aan de gemiddelde smaak en de gemiddelde gevoelens van de mensen om hem heen. Hij was, stelt de biograaf, helemaal niet geinteresseerd in de echte ragtime hij voelde aan dat het ritme in de mode kwam en paste zich aan bij de populariteit van de koddig bedoelde nigger songs uit die dagen. De naam Alexander werd alom gebruikt om de karikatuur te schetsen van een zwarte man die probeerde zich een blank soort chic aan te meten: vandaar Alexander's ragtime band. Ook van een latere hit, Puttin' on the Ritz, legt Bergreen uit dat het nummer aanvankelijk was bedoeld als parodie op de zwarten die met pommade in hun haar en glans op hun schoenen de zwierige playboy trachtten uit te hangen. Irving Berlin was in die tijd, zijn eigen joodse afkomst ten spijt, even racistisch als de rest van Amerika.

Omdat de auteur geen toestemming kreeg ook maar een letter uit het oeuvre van Berlin te citeren, was hij niet in staat de songteksten te analyseren. Dat is een gemis. Des te meer gaat hij in op de vraag in hoeverre de muzikale analfabeet zijn eigen muziek schreef. De populairste componist van de twintigste eeuw bespeelde uitsluitend de zwarte toetsen van zijn piano; met behulp van een handle onder het toetsenbord kon hij de toonsoorten varieren. Het notenschrift beheerste hij niet. Hij zong de tekst, terwijl hij zichzelf begeleidde en maakte gebruik van assistenten, die zijn werk vervolgens noteerden. Lang heeft de verdenking bestaan dat zulke medewerkers hier en daar wel eens iets hebben verfraaid. De ooggetuigen in dit boek, onder wie twee van Berlins vroegere assistenten, ontkennen dat. Soms, zeggen ze, kwamen ze met een suggestie ter verbetering. Berlin vroeg hen dan of ze hun eigen versie wilden voorspelen. Daarna moesten ze het weer spelen zoals het hen aanvankelijk was opgedragen. En altijd luidde de beslissing: nee, mijn eigen versie is de beste.

Irving Berlin leerde de eerste trucs van het vak in het begin van deze eeuw, toen het in de muziekindustrie nog voornamelijk ging om de verkoop van bladmuziek. Zijn leerschool was hard en tenslotte voelde hij zich vertrouwd in dat metier. Het belangrijkste podium voor een nieuw nummer was een plaats in een van de grote theaterrevues; hij schreef dan ook losse nummers, die per stuk konden worden verkocht. Toen de revues plaats moesten maken voor de musicals, met hun doorgecomponeerde samenhang, wilde hij daar niets van weten. Hij verplaatste zijn werkgebied naar Hollywood, waar Fred Astaire en Ginger Rogers nog succes hadden met films vol losse zang- en dansnummers. Pas op latere leeftijd kwam zijn eerste echte musical, Annie get your gun, maar ook daarin bekommerde hij zich nauwelijks om karakter- en plot-ontwikkeling in de zangteksten. Hij schreef gewoon (want voor hem was dat gewoon) negen hits, waaronder There's no business like show business en het geestige kibbelduet Anything you can do (I can do better).

Vaak heeft Berlin zich verzet tegen nieuwigheden, stelt zijn biograaf vast. Ook bij voorbeeld tegen jazz en swing, genres waarin men graag parafraseerde op zijn akkoorden. Never do that again! riep hij tegen Benny Goodman, die onbekommerd om de melodie van Blue skies heenblies. Hij vond dat de uitvoerder dienstbaar moest zijn aan de componist en hield daarom ook het meest van Fred Astaire, wiens voordracht en dictie hem tot een ideaal vertolker van de Berlin-nummers maakte. En de vertolkers prezen het materiaal dat ze in handen kregen: Irving wist wat hen toekwam, je bestelde een hit bij hem en negen van de tien keer leverde hij het bestelde. Woorden en muziek vormden een ondeelbare eenheid. Elke lettergreep uit de tekst ging bij hem vergezeld van precies de goede noot, zei de musical-actrice Nanette Fabray: 'Als je een mop vertelt, staat er altijd een komma voor de frappe. Hij is in staat om die komma in zijn muziek te zetten, zodat je als zanger een perfecte frappe hebt.' De opkomst van Elvis Presley luidde het primaat in van de zanger boven het lied dat hij zingt. Daar moest Berlin niets van hebben.

De man die ooit de held van Amerika was, was vaak kleinzielig en kleingeestig en hoe ouder en rijker hij werd, hoe gieriger. Maar dat staat bij Laurence Bergreen de bewondering voor het werk niet in de weg. As thousands cheer is bovenal een heldere, journalistiek geschreven reportage over honderd jaar Amerikaanse show business. Bergreen bezondigt zich niet aan de romantisering waaraan zoveel van zijn collega's zich vergrijpen: hij heeft geen dialogen gereconstrueerd alsof hij er zelf bij was geweest, hij probeert zelden de gedachten van zijn hoofdpersoon te lezen. Hij registreert de feiten; die zijn meeslepend genoeg.