Een laatste kans

DAT HET NIET goed ging met Philips was bekend. Gezien de gang van zaken dit jaar loopt de onderneming het risico om failliet te gaan als de trend niet wordt omgebogen. Verliezen van tegen de drie miljard gulden kan de directie zich niet nog een jaar veroorloven, omdat het eigen vermogen nog maar dertig procent van het balanstotaal uitmaakt. Voor de rest is Philips gefinancierd met geleend geld.

Dat is een harde constatering. Zoals bij mensen pas in het laatste stadium het onvermijdelijke einde wordt besproken, zo wordt ook bij ondernemingen een mogelijk faillissement niet al te snel onder ogen gezien. Maar ook ondernemingen hebben niet het eeuwige leven. Philips is bijna honderd jaar oud. Op de Amsterdamse beurs is maar een handvol even oude ondernemingen genoteerd. De meeste buitenlandse concurrenten van het concern zijn pas twintig jaar geleden tot wasdom gekomen.

ANDERS DAN mensen hebben ondernemingen een laatste middel om het leven te rekken. Ze kunnen worden overgenomen door anderen. Tot gisteren was ook dat onderwerp bij Philips niet aan de orde. Rendabele bedrijven laten zich niet graag overnemen en hebben in Nederland ook een rijk arsenaal aan middelen om zich tegen overneming te verzetten. Philips heeft dat eigen arsenaal vorig jaar nog eens stevig uitgebreid. Maar wanneer een onderneming ten onder dreigt te gaan, slaat de balans door. Bij goedlopende bedrijven hebben aandeelhouders weinig in te brengen en incasseren de schuldeisers geruisloos de hun toekomende rente en aflossing. Dreigt het bedrijf het loodje te leggen, dan roeren de schuldeisers zich en hebben zij meer juridische mogelijkheden dan aandeelhouders om het bestuur van de onderneming hun wil op te leggen. Anders dan aandeelhouders hebben zij immers een contractuele band met de onderneming.

Wanneer een bedrijf echt dreigt te sterven is overneming niet meer discutabel die wordt dan afgedwongen door de schuldeisers. In het geval van het baggerbedrijf Boskalis namen de banken de onderneming over. Bij Van Berkel Patent, ooit in de wereld een merknaam die niet voor die van Philips hoefde onder te doen, zochten de banken een buitenlandse koper.

Philips heeft zich tot op heden kunnen beperken tot het vrijwillig verkopen van relatief kleine onderdelen van het concern aan anderen, waarbij Philips al dan niet zelf nog een belang hield. Die vrijwilligheid is een luxe, een niveau van welvaart dat Philips zich wanneer de verliezen aanhouden niet lang meer kan veroorloven.

Een ander bedrijf met problemen, Gist-Brocades in Delft, maakte juist gisteren bekend de farmaceutische divisie, altijd tot de kernactiviteit gerekend, te verkopen aan Japanners. Gist heeft net als Philips heftige management-perikelen gekend en al jaren te weinig verdiend. Lang zocht ook Gist-brocades zijn heil in joint ventures. Maar dat bleek niet genoeg. Gist verkoopt nu zijn kernactiviteit omdat het de noodzakelijke investeringen in nieuwe produkten niet meer zelf kan financieren.

PHILIPS IS dicht bij het punt gekomen waar overneming door een ander concern het laatste redmiddel is. Op de uitstaande obligaties van de onderneming vragen beleggers een rendement van meer dan tien procent. Daarmee worden de Philips-obligaties nog niet beschouwd als zogeheten junk bonds. Maar met een koers van circa twintig gulden is het aandeel Philips geen bescherming meer tegen overneming. Aan Philips hangt nu een prijskaartje van minder dan zes miljard gulden. Dat is een bedrag dat vele grote concurrenten in kas hebben.