Duitse pockets

Een man en een vrouw maken een reis door een zonovergoten Zuid- Europa. Het landschap is leeg, de hitte zinderend. Tijd voor witte kleding, lome bewegingen en sappige vruchten in de schaduw van pijnbomen. Hij zegt: 'Ik hou van je.' Zij antwoordt slechts: 'Ik weet het.' De seismograaf van het gevoel hoort nu gretig uit te slaan: bij het eentonige getsjirp van de krekels vindt een drama plaats zonder dat de hoofdrolspelers er veel woorden aan vuil maken. Hoelang zal het duren voordat voor deze verhouding het doek valt? Wanneer hij geconfronteerd wordt met het besluit van de vrouw om de relatie te verbreken, stamelt de man: 'Dat kun je niet doen.' 'En of ik dat kan', is haar antwoord. Ze gaat terug naar haar echtgenoot en haar kinderen die ze een tijdje heeft verlaten voor deze 'ontsporing'. Heeft ze hier goed aan gedaan? Haar man zegt: 'Ik veroordeel je niet, ik weet alles en ik kan alleen maar van je houden.' Er schuiven wolken voor de zon, de vrouw rilt. Deze stille ellende beschrijft de Oostenrijker Peter Rosei in Die Wolken (Fischer, f. 14,60).

Afstandelijke observatie is Rosei's handelsmerk. Daarmee ontpopt hij zich tot een van die typische Stifter-adepten zoals je die in de hedendaagse Oostenrijkse literatuur steeds weer tegenkomt. Anders dan de Biedermeierdichter Stifter proberen de adepten geenszins de wereld als een veilige plaats voor te stellen, waar de hand van God overal speurbaar is. Peter Rosei legt zich vooral toe op het schilderen van het zichtbare en laat het interpreteren aan de lezer over. De veronderstelling dat die daarbij veel vrijheid zou hebben, is misplaatst. De keuze van de schilderijen dwingt de interpretatie duidelijk in een bepaalde richting. Doordat de beweegredenen van de hoofdpersonen meestal in het duister blijven, is het wel veel gevraagd om met hen mee te leven. Zou Rosei zelf iets voelen voor zijn personages?

Met deze roman, die deel uitmaakt van de zogenaamde 15.000 Seelen-cyclus, komt Rosei uit bij een wereld zonder mensen. De epiloog die de cyclus afsluit, te vinden in Der Aufstand. Unser Landschaftsbericht (Fischer, f. 19,05), schildert een 'landschap na de slag': te midden van de verwoestingen ziet een koele observateur hier en daar vluchtende groepjes overlevenden. Mij deed het sterk denken aan de film Stalker van de Russische regisseur Tarkovski, die met langzame filmsequenties een eender beeld van een verwoeste wereld oproept. Bij Tarkovski voel je nog iets van treurnis om dat wat verloren gegaan is. Rosei als leidsman bezorgt je slechts een gevoel van onbehagen; hij leidt je rond door de desolate landschappen van zijn roman om bij een enkel detail veelbetekenend op te merken: 'Kijk'.

Klaus Nonnenmann heeft volgens zijn uitgever de reputatie een 'anarchistische' schrijver te zijn. Als alle anarchisten zo betrouwbaar waren als Nonnenmann zou je op hen een staat kunnen bouwen. Nonnenmann schildert in Teddy Flesh (Fischer, f. 22,05) de lotgevallen van een burgerlijk mannetje dat ophoudt een burger te zijn. Hij vertelt zijn verhaal zelf, op olijke toon. Natuurlijk doet hij dingen die nauwelijks door de beugel kunnen dat weet hij zelf ook wel, en daarom is het allemaal half zo erg. Hij beleeft veel plezier aan het uitgebreid stilstaan bij de materiele zaken des levens, maar mij ontging de humor bij de uitputtende beschrijvingen van, om iets te noemen, lederwaren en treinstellen. Zulke passages worden in de humoristische literatuur steevast afgesloten met een schalks; 'Maar genoeg hierover, ik wilde trouwens iets heel anders vertellen!'

Wie of wat is de geheimzinnige Delfina die op een Caribisch eilandje speelt met het lot van de bewoners? Ze wordt aanbeden als de Moeder Gods maar vertoont soms de barmhartigheid van een hoer. Nu staat ze eens als een uitdagend beeld opgesteld in het bordeel van dikke Yolanda, dan weer trekt ze als de devote Madonna van het klooster op de heuvel de gelovigen naar de schoot van de kerk. Delfina is niet het enige wonderlijke wezen in de roman Aufstief und Untergang der Insel Delfina van Gudrun Pausewang (DTV, f. 19,05); de moeder-overste van het klooster bij voorbeeld wordt wel drie eeuwen oud en op het eiland spookt een geraamte rond, Sammy geheten, waar niemand bang voor is. Met zulke merkwaardige figuren is de Duitse literatuur niet overmatig rijk gezegend en dit boek mag dan ook best als een aanwinst beschouwd worden. Door een jarenlang verblijf in Zuid-Amerika is Pausewang met magisch-realisme doordrenkt geraakt. Voor menigeen zal haar kijk op de menselijke soort wat al te luchtig zijn. Zoals het eiland Delfina uit zee oprijst en na een paar eeuwen weer door de zee wordt opgeslokt, zo zou je ook de opkomst en ondergang van beschavingen kunnen beschrijven God ligt er niet wakker van.

Beleven Duitsers de natuur anders dan anderen? Rudolf Borchardt gaf in 1925 een bloemlezing uit die dit moet bewijzen. Bij Insel verscheen een herdruk van zijn curieuze boek met de titel Der Deutsche in der Landschaft (f. 26,80). Borchardt betoogt dat de Duitser altijd openstaat voor indrukken, meer bij voorbeeld dan de 'gesloten' Nederlander of Engelsman die de wereldzeeen enkel uit eigenbelang bevoer. De Duitser daarentegen is 'het nooit tot rust gekomen kind van de grote volksverhuizingen'. Zonder op een echte stee terug te kunnen vallen is de Duitser volgens Borchardt altijd daar thuis waar hij zich op een bepaald moment bevindt.

Zoals de titel belooft, bevat dit boek niet in de eerste plaats aardrijkskundige opsommingen. 'Deze bloemlezing daalt dieper af in het innerlijk van de mens dan in de diepte van de aardkorst.' De nadruk ligt op teksten uit de negentiende eeuw, dus de liefhebber van poetische metafysica komt volop aan zijn trekken. Een voorbeeld: Ludwig Tieck, de romantische uitvinder van de 'Waldeinsamkeit', laat een paar kletsmajoors door een mistig landschap lopen. Een van hen jubelt: 'Eigenlijk is dat wat we hier niet zien, juist omdat we het niet zien, de meest verheven verschijning van de natuur.'

Bergwandelingen hebben in de literatuur vaak een symbolische betekenis. Soms wordt de zware klim naar boven vergeleken met de zelfoverwinning van een gekweld individu, dat geen andere beloning voor de inspanningen verwacht dan een mooi uitzicht. Voor wie weet heeft van 'het hogere', is het leven in de vlakte beter te verdragen. De bezetenheid waarmee velen alpinisme bedrijven, heeft een morbide trekje; jaarlijks komen in de Alpen 1000 mensen bij bergtochten om het leven.

'Afscheid van het individu', 'Op onkosten van de natuur' en 'Stiefkinderen van de vooruitgang'; dit zijn een paar titels van hoofdstukken uit de omvangrijke essayverzameling Jahrhundertwende. Der Aufbruch in die Moderne (rororo, 2 delen, fl.55,70), die een team specialisten onder leiding van August Nitschke uitgaf. Goed gekozen illustraties begeleiden de verhandelingen over een periode waarvoor beter begrip volgens de uitgevers van wezenlijk belang is, daar de wortels van het huidige Europa in de tijd van de eeuwwisseling liggen. Toen begonnen de eerste automobielen te tuffen en namen de natuurwetenschappen een grote vlucht; de filmindustrie werd een bron van vermaak en voor concerten hoefde men door de komst van de radio de deur niet meer uit.

Een essay gaat in op de hopeloosheid die veel boeken uit de tijd van het realisme kenmerkt. Die zou voort kunnen komen uit het heersende gevoel, dat men in een 'Spatzeit' leefde. Dat sommige schrijvers, en niet alleen de slechtsten, het uitbreken van de oorlog in 1914 als een bevrijding ondergingen, is verklaarbaar uit hun hoop op een nieuw Europa.

Interessant is de beschouwing die wordt gewijd aan het verschijnsel 'girl', dat in vrolijke films de kop opstak. In dansfilms uit de jaren dertig en in de grote revues uit die tijd bewegen hele colonnes volkomen anonieme 'girls' als robots of, zo men wil, soldaten. Het beeld is niet nieuw maar door te herinneren aan deze dans op de vulkaan, bewijst men wellicht ook onze eigen tijd een dienst.