De wetten van ui en ananas; Jiri Dokoupil toont vijf jongelandschapschilders

Het schilderen naar de natuur maakt een comeback. Nu de mogelijkheden van de moderne kunst uitgeput schijnen, worden er weer naar hartelust landschapjes geschilderd. De Tsjechisch-Duitse kunstenaar Jiri Georg Dokoupil maakte er een tentoonstelling over in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With. 'Dat het hier grensverleggende schilderkunst betreft, is iets dat de toeschouwer moet weten, want te zien is het niet.'

De Tsjechisch-Duitse schilder Jiri Georg Dokoupil heeft onder de titel 'Die zehn Kunstler an die ich am 3. Mai um 19.00 Uhr gedacht habe' in het Rotterdams kunstcentrum Witte De With een tentoonstelling gemaakt van werk van een tiental kunstenaars uit Brazilie, Amerika, Oostenrijk, Tsjechoslowakije, Duitsland en Rusland, waaronder ook hijzelf. Deze schilders hebben met elkaar gemeen dat zij allemaal het landschap en de natuur als uitgangspunt voor hun werk nemen.

Dat Dokoupil juist aan deze schilders dacht op 3 mei om 19.00 uur is niet zo toevallig als hij het doet klinken, want een week later, op 9 mei, opende in de Brusselse galerie van Marie-Puck Broodthaers de expositie 'Landschappen' waar hij en enkele anderen die nu in Witte de With exposeren aan meededen.

Het ouderwetse schilderen naar de natuur maakt in de kringen van de avantgarde, voor zover die term nog van toepassing is, een comeback. De expositie bij Marie-Puck Broodthaers, met tal van natuur-impressies en landschapjes boven en onder elkaar opgehangen, had het karakter van een ware negentiende-eeuwse 'Salon de la Peinture'. Hetzelfde gold voor een groepstentoonstelling enkele maanden geleden in de Amsterdamse galerie Witzenhausen Meijerink. Hier waren verschillende genres te zien: landschap, stilleven en portret. Deze tentoonstelling was de eerste in een serie presentaties van jonge kunstenaars die schilderen naar de natuur. Aan de tentoonstellingsreeks zijn een jury en prijsuitreikingen verbonden, alles geheel in de traditie van de Salon.

Dokoupil, die zo'n tien jaar geleden furore maakte als 'Nieuwe Wilde' en lid van de groep 'Mulheimer Freiheit', omschreef in 1983 zijn bekering tot de landschapsschilderkunst aldus: 'Om drie jaar geleden te beginnen met expressief en figuratief werk, om nu weer beelden naar de natuur te schilderen, betekent dat je tegen de voorschriften ingaat, ermee speelt, ze overdrijft, en ze verandert.' Met andere woorden: het schilderen naar de natuur gebeurt hier toch weer onder de vlag van de avantgarde, van tegen de voorschriften ingaan en van 'grensverlegging'.

Bedompt

Dat het hier recalcitrante, grensverleggende schilderkunst betreft, is iets dat de toeschouwer moet weten, want te zien is het niet. Integendeel, de expositie ademt de bedompte atmosfeer van een burgerlijke, zelfgenoegzame binnenkamercultuur. Het is natuurlijk heel veilig om te zeggen dat deze landschapsschilderijen 'tegen de voorschriften' ingaan, want dat houdt in dat iedere kritiek op een klunzige wijze van schilderen wat op deze tentoonstelling nogal eens voorkomt; voorbeelden zijn de doeken van Roberto Cabot en Robert Greene bij voorbaat ontkracht is. De klunzigheid maakt dan gewoon deel uit van het concept.

De tentoonstelling omvat verschillende voorbije schilderstijlen, waarbij de schilderijen van organisator Dokoupil zich het meest onttrekken aan het thema van het landschap, en in historisch perspectief bezien het meest 'vooruitstrevend' zijn: Dokoupils rasterpatronen van gezeefdrukte appels, ananasschijven en uien zijn een reprise van de Zerokunst. Daarvoor, weer in historisch perspectief, komen de Informele materie-schilderijen met aarde en stenen van de Oostenrijker Otto Muhl. Het duo Alice Stepanek en Steven Maslin vervaardigt arcadische kitsch-taferelen in een soort neo-impressionistische stijl, en Joan Nelson schildert sentimentele beelden van eenzame bomen tegen weidse luchten. De enige schilderijen die iets prikkelends hebben zijn de grauwe landschappen van David Deutsch; er gaat een sombere dreiging uit van de eindeloze herhaling van identieke bomen bezien in vogelvluchtperspectief, zonder oog voor detail, en van de anonieme architectuur van het 'Science Park', verscholen tussen een bruinige begroeiing op een droge vlakte.

De laatste jaren bestaat er een algemeen gevoelen dat de mogelijkheden van de moderne schilderkunst zijn uitgeput, en dat het experiment van de Modernen is mislukt. De 'ware kunst' is niet ontdekt, de universele beeldtaal niet gevonden, de kunstenaars zijn er niet in geslaagd om met het kunstwerk een nieuwe, autonome wereld te scheppen, onafhankelijk van de zichtbare werkelijkheid. Ook de vraag naar de betekenis en de functie van het schilderij is onbeantwoord gebleven. Dat alles mag zo zijn, maar het betekent nog niet dat het zinvol is om terug te gaan naar de tijd van voor de Modernen, naar de tijd dat het schilderij een weergave was van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, van de natuur, terug naar de door Marcel Duchamp verafschuwde 'netvlies-kunst', de kunst die slechts tot doel heeft het oog te behagen. De schilderkunst die Dokoupil presenteert onder het mom van vooruitgang hij wil het schilderen 'opnieuw uitvinden' zegt hij is in werkelijkheid reactionair.

Dat het ook anders kan blijkt op de tweede expositie in Witte de With, met name in de schilderijen van Fiona Rae (27, geboren in Hong Kong, woont in Londen) en Kay Rosen (leeftijd onvermeld, geboren in Texas). Fiona Rae schildert zoals haar naam klinkt: vrolijk, kleurrijk en een beetje lichtzinnig. In haar barokke, abstract expressionistische doeken met hier en daar een figuratief element, bij voorbeeld een bloem wisselen verferupties en lege plekken elkaar af. De kleuren zijn zodanig op elkaar afgestemd dat elk doek een eigen, soms lyrische, dan weer frivole, stemming heeft. De expressie is beheerst, bijna gekunsteld, wat een decoratief effect heeft, bij voorbeeld wanneer een verfstreek bestaat uit talloze contrasterende kleuren, of waar de verf in dikke klodders op het doek ligt. Deze vrolijke schilderijen zijn vol van ironie en zelfspot. Ironie is het instrument waarmee Rae het probleem van de betekenis of eerder het gebrek aan betekenis in de schilderkunst benadert. Het resultaat zijn schilderijen die mooi en verleidelijk zijn en die tegelijkertijd aanzetten tot reflectie.

Kay Rosen schildert woord-schilderijen. Gelukkig ontbreken hier de pseudo-diepzinnigheid en het moralisme van veel 'linguistische' schilderkunst (bekende voorbeelden zijn Lawrence Weiner en Jenny Holzer). Op het eerste gezicht zien haar met lakverf geschilderde doeken eruit als uithangborden. In haar tekstjes past zij behalve woord- ook beeldrijm toe, zodat de letters een beeldende waarde hebben, zoals: 'Blanch arose Rosa blanch-ed. Ed!' In signaalrood op wit, en prachtig van vlakverdeling, schilderde Rosen vijf omzwervingen van het woord 'memory': 'memorx, memoxy, memxry, memxry, mexory, mxmory' een visueel equivalent voor het vervagen van de herinnering. Elders suggereren fragmenten van woorden op kleine, vierkante doekjes in zinnenstrelende kleuren betekenissen zonder dat die precies te herleiden zijn.

Rosen houdt zich aan het modernistische voorschrift dat een schilderij plat dient te zijn, en niet een verbeelding van een illusionistische ruimte. Ook probeert zij niet om het probleem van de betekenis te omzeilen door terug te vallen op het schilderen naar de natuur zij thematiseert juist de vraag naar betekenis, terwijl ze er bovendien een vorm voor weet te vinden die in visueel opzicht boeiend is. Alle mogelijkheden van het moderne schilderen zijn kennelijk toch nog niet uitgeput.

Tentoonstellingen: groepsexpositie van landschapsschilderkunst, samengesteld door Jiri Georg Dokoupil; werk van Doriana Chiarini, Aernout Mik, Fiona Rae en Kay Rosen. Kunstcentrum Witte de With; Witte de Withstraat 50, Rotterdam. T/m 25 november. Geopend di. t/m zo. 11-18u.