De vleermuisman

In de dierenwinkel stond er een meneer voor me die met een bedeesd stemmetje vroeg: 'Mag ik anderhalf ons onbespoten vliegen?' 'Ik verkoop geen vliegen', antwoordde de winkelier. De meneer keek verlegen omlaag. Ik zag dat hij bloosde. De meneer was zo kaal als een knikker, hij had flaporen, een lange neus, een klein kinnetje en een tand die schuin naar voren stak. Eerlijk gezegd had ik nog nooit zo'n lelijk mannetje gezien. 'Geen vliegen, ach wat spijtig nou', hoorde ik hem mompelen terwijl hij zich haastig uit de voeten maakte.

'Wat een griezel he', zei de winkelier. 'Ik ken hem al langer dan vandaag maar hij is nog nooit in mijn winkel geweest. Ze noemen hem Thijs Tand, de vleermuisman. Ik zou wel eens willen weten waarom iemand die niet op forellen vist ineens vliegen nodig heeft. Misschien eet hij ze op. Anders zie je hem nooit op klaarlichte dag. Hij schijnt overdag te slapen. 's Nachts sluipt hij door de buurt en bij het ochtendkrieken komt hij thuis. Dan heeft hij een zak op zijn rug en niemand weet wat er in zit.'

Die avond ging ik vroeg slapen. Ik had de wekker op zes uur gezet en toen hij de volgende ochtend ratelde, kleedde ik me vlug aan en ging de straat op. Thijs Tand zag ik nergens. Wel kwam ik een poes tegen die eerst hard wegliep en toen op een afstand naar mij ging zitten kijken. De rest van de week liep de poes met mij mee, maar onze ochtendwandelingen door de halfdonkere, verlaten straten brachten ons niet op het spoor van Thijs Tand.

Van de zomer liep ik op een mooie avond langs het plantsoen en daar zag ik tussen de bomen een zwarte gedaante opdoemen die als een vleermuis voorbij flitste. 'Thijs Tand, ik heb je heus wel gezien', riep ik. De vleermuisman kwam uit de bosjes te voorschijn met een zak op zijn rug. We liepen samen naar huis. 'Wat zit er in die zak?', vroeg ik. 'Aarde', antwoordde Thijs Tand. Toen we bij zijn huis waren, zei Thijs Tand: 'Kom mee naar binnen dan zal ik je mijn geheim laten zien.' We beklommen een ladder en klauterden door een bovenraam zijn huis binnen.

Tegen de muren van de gang groeiden elfenbankjes en de gangvloer was bedekt met een dikke laag mollig mos. 'Hier slaap ik', legde Thijs Tand uit. De keuken was begroeid met klimop en uit het aanrecht groeiden varens. Uit de kraan stroomde een waterval die in het beekje klaterde dat door de keuken liep. In de huiskamer brandden lampen die een geel licht verspreidden waardoor het leek alsof de zon scheen. Daaronder groeiden talloze exotische bloemen in de mooiste kleuren. Het was betoverend. 'Zie daar mijn huistuin', zei Thijs Tand.

'Waarom had je laatst vliegen nodig', kon ik niet nalaten hem te vragen. 'Voor de moerasorchideeen op het balkon. Dat zijn vleesetende planten en 's winters zijn er zo weinig vliegen. En ik wil niet dat ze honger lijden', antwoordde de vleermuisman.

De afgelopen maanden heeft Willem den Ouden nog zo'n zevenhonderd tekeningen van het Waallandschap gemaakt. Hij gunt zich de tijd niet meer om te schilderen. Hij noemt zijn tekeningen schetsen maar ze hebben weinig vluchtigs. Het zijn meesterwerkjes op A-4 formaat. Zijn emoties over de vernietiging van het Waallandschap hebben de intensiteit van zijn lijnvoering nog verhevigd terwijl de precisie waarmee hij het landschap weergeeft dezelfde is gebleven. De lijnen, die altijd functioneel gebruikt worden en diepte, richting en structuur geven, drukken een koortsachtige geladenheid uit.