De tobber en de vluchtige; In de verhalen van David Leavittschieten de partners te kort

Ruim een jaar geleden verscheen de tweede roman van David Leavitt onder de titel Equal affection, in het Nederlands vertaald als Eendere liefde. Het boek droeg als motto een paar regels van W. H. Auden, die vrij vertaald luiden: 'Als we niet evenveel van elkaar kunnen houden, laat mij dan degene met de meeste liefde zijn.' Dat motto past misschien nog beter bij A place I've never been, Leavitts nieuwe verhalenbundel, tegelijkertijd in het Nederlands verschenen als Waar ik nooit geweest ben. Bijna alle verhalen houden zich bezig met liefdesverhoudingen, homo zowel als hetero, en altijd schiet een van de partners tekort in de liefde, altijd is er een die niet wil of niet kan, die weg wil of niet aan de eisen kan voldoen.

In de nieuwe verhalen staan de mensen emotioneel op grote afstand van elkaar, net als in de eerste bundel Family Dancing (Familiedans) van 1984, en slagen er niet in die afstand te overbruggen, hoe bevredigend de fysieke kant van de liefde ook mag wezen. Een mooi voorbeeld is 'Spouse night' waar een man en een vrouw na de dood van hun echtgenoten een verrassende hartstocht voor elkaar ontdekken. Leavitt geeft zelden uitleg bij de gevoelens van zijn personages maar hij laat wel doorschemeren dat Arthur de bedillerige Eva eigenlijk een vervelend mens vindt. De figuren staan ook zo ver van elkaar af dat de ene partner vaak geen idee heeft van wat hij of zij de ander aandoet. In het titelverhaal is Celia al jaren verslingerd aan Nathan die homoseksueel is. Ze weet best dat een wederkerige liefde onmogelijk is maar ze hoopt steeds op meer emotioneel contact dan Nathan tot stand kan brengen. Als hij haar in een zielige bui bekent dat hij nog nooit echt verliefd is geweest, zegt ze niets anders dan 'Nathan, o, Nathan toch, ' maar bij zichzelf denkt ze: 'zonder te weten, zonder ook maar een idee te hebben dat hij mij weer eens niet meetelde.' Ze begrijpt zijn eenzaamheid wel maar ze is diep geschokt dat hij de hare niet ziet.

Het verhaal over Nathan en Celia is niet voor niets het titelverhaal van de bundel. Het gemis waar Celia onder lijdt karakteriseert bijna alle verhoudingen in het boek. Ook het verschil in afkomst speelt een rol en de emotionele betrokkenheid is nooit sterk genoeg om dat verschil op te heffen. In 'I see London, I see France' duikt Celia weer op, nu verloofd met Seth die haar uit een miezerig milieu in het Newyorkse Queens heeft weggehaald en haar mee heeft genomen op een reis door Italie. Ze probeert hem uit te leggen hoe groot de afstand tussen hen is en vervalt daarbij in een soort gestamel dat wel zeer emotioneel is maar Seth geen stap dichterbij brengt. Hun plannen zouden allemaal prachtig zijn, zegt ze, 'als ik het soort iemand was dat is opgegroeid op dit soort plekje met dat soort ouders, en de dingen voelde die dat soort iemand zou kunnen voelen maar die een ander soort iemand het soort iemand als ik, bijvoorbeeld nooit zou kunnen voelen.'

Trits

Celia en Nathan kennen we al uit het buitengewoon mooie verhaal 'Dedicated' dat de bundel Family dancing afsloot. Daar vormden ze een trits met Andrew, die toen dik bevriend was met Nathan. In de nieuwe bundel keert ook Andrew terug, op een ogenblik dat hij van minnaar wisselt. De drie fungeren als orientatiepunten in het territorium van Leavitt. De belichting en de situatie verandert, maar zijzelf blijven zich gelijk. Het zijn drie figuren waar Leavitt het dichtst bij staat: Nathan de tobber, Andrew de wat vluchtige en Celia de buitenstaander. Om hen heen bewegen zich andere even overtuigend getekende personages de man in 'Houses' die aarzelt tussen zijn minnaar en zijn vrouw, en de verteller in 'Ayor' die vergeefs hunkert naar het allemansvriendje Craig maar die drie vormen toch de kern. Voor hun problemen bestaat geen oplossing. Er is geen verhaal van Leavitt dat een onverwachte keer neemt. Aan het slot blijft elk probleem onverminderd voortduren.

Zoals de terugkeer van Celia, Nathan en Andrew al suggereert, is de thematiek van Leavitt onveranderd gebleven. Ook de toon is nog even gedempt als tevoren en heeft niets van het luidruchtige effectbejag van sommige van zijn generatiegenoten. Alleen in twee verhalen over familieverhoudingen 'I see London, I see France' en 'Roads to Rome' schiet zijn stem af en toe uit. Het zijn verhalen over twee verschillende families die er op het eerste gezicht hecht uitzien, zij het zeer onconventioneel, en later meer op een nest sissende slangen lijken. Leavitts taalgebruik is over het geheel genomen even voorbeeldig als in zijn eerdere werk al ben ik in dit boek voor het eerst een paar slordigheden tegengekomen. In 'Houses' schrijft hij: 's Avonds laat is er in mijn stadje een strand... ' Is dat er overdag dan niet? Als iemand 'uitdagend' een wc doortrekt, vraag je je onwillekeurig af hoeveel manieren er bestaan om dat te doen. En zo is er wel eens meer wat. Een flauw grapje als 'the reverent reverend' is beneden Leavitts peil, en nu en dan dwaalt hij erg opvallend van zijn onderwerp af. Maar het zijn niet meer dan kleine oneffenheden in een verder volkomen beheerste, intelligente en sympathieke bundel. De Nederlandse vertaling van Rien Verhoef is, op een enkel woord na, heel acuraat en heeft de stijl en de toon van Leavitt consequent weten te bewaren, wat geen geringe prestatie is.