Compensatie voor boeren lijkt uit den boze; De EG en de Europese boer zijn twee handen op een buik

ROTTERDAM, 26 okt. Moet de Europese boer, als de prijzensteun van de Europese Gemeenschap afneemt, daarvoor worden 'gecompenseerd' ? Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG, vindt van wel. Hoe dat moet gebeuren liet hij woensdag wijselijk in het midden anders zou hij de VS en de andere onderhandelingspartners bij het handelsoverleg in Geneve (de zetel van de GATT, de wereldhandelsorganisatie die waakt over de Algemene Overeenkomst voor Tarieven en Handel) onmiddellijk tegen zich in het harnas jagen.

De EG en de Europese boer zijn twee handen op een buik. Het is, op de keper beschouwd, een vreemde zaak. Niet de defensie, het bestuur of de sociale zekerheid vormt het fundament van de EG, maar de landbouw. Het budget van de EG wordt grotendeels bestemd voor het opkopen van graan, zuivel- en andere produkten, zodat de Europese boer een prijs krijgt waar hij van kan leven. Tegen de wereldmarktprijs kan hij niet produceren. De overschotten worden, met exportsubsidies, gedumpt op de wereldmarkt.

Dit fundament komt nu onder druk te staan. De EG wordt door andere landen beschuldigd van valse concurrentie, en binnen de Gemeenschap stuiten de hoge kosten van het landbouwprijsbeleid op steeds meer verzet. De prijzensteun moet omlaag. Het voorstel van EG-landbouwcommissaris MacSharry (om de landbouwsubsidies met 30 procent te verminderen, te rekenen vanaf 1986) mag dan beperkt van omvang zijn, het gaat wel die richting uit.

Logisch dat Delors naar andere wegen zoekt om de Europese boer te steunen. De vraag rijst echter wat de gevolgen zijn van deze 'compensatie', zeker wanneer die niet vanuit Brussel maar vanuit de diverse hoofdsteden wordt verstrekt. Als je in plaats van prijzensteun de boeren inkomenssteun gaat verschaffen, en als die inkomenssteun per land verschilt en afhankelijk is van het nationale welvaartsniveau, wat gebeurt er dan met de concurrentieverhoudingen binnen de EG? Wat blijft er in dat geval over van de gemeenschappelijke landbouwmarkt?

Inkomenssteun lijkt bovendien weinig bevorderlijk voor de efficiency en de produktiviteit in de agrarische sector. Inkomens- of bedrijvensteun en dynamisch ondernemerschap staan nu eenmaal haaks op elkaar. Daarom zou de steun die nu aan de (vooral) Groningse graanboeren wordt verstrekt een tijdelijk fenomeen moeten zijn.

De boer hoeft natuurlijk niet aan zijn lot te worden overgelaten. Er zijn goede argumenten voor een actief agrarisch beleid. De voedselproduktie is voor elk land van vitaal belang en zonder boeren zal het landschap verloederen al geldt dat laatste argument veel minder voor Nederland waar de intensieve agrarische produktie voor gigantische milieuproblemen heeft gezorgd. 'Compensatie' in de vorm van inkomenssteun lijkt echter uit den boze.

Op het Haagse ministerie van landbouw en natuurbeheer wordt daarom aan andere vormen van 'compensatie' gedacht. Bijvoorbeeld premies die het braak laten liggen van grond aantrekkelijk maken, premies die de omschakeling op bosbouw bevorderen, investeringspremies voor een milieuvriendelijkere produktie, en andere 'voor-wat-hoort-wat-maatregelen'. Het woord 'compensatie' is in deze gevallen in feite misplaatst: de boer wordt niet gecompenseerd voor prijsdalingen, maar wordt gestimuleerd tot een ander bedrijfsbeleid. Een beleid dat niet tot meer, maar eerder tot een andere of tot minder produktie leidt. En dat is de kern van de zaak.

Tientallen jaren lang heeft het Europese landbouwbeleid de prijzen kunstmatig hoog gehouden. Dank zij de produktiviteitsgroei produceerden de boeren echter steeds meer. Het verschil tussen aanbod en vraag werd groter, en de EG had uiteindelijk onvoldoende middelen om dat verschil te blijven overbruggen. Er moet dus wat gebeuren.

In plaats van een politiek van prijsdaling gekoppeld aan 'compenserende' maatregelen zou de Europese Commissie kunnen kiezen voor het alternatief van een directe produktiebeperking, via braaklegging of met afzetquota zoals in het geval van melk is gebeurd. De prijzen hoeven dan, als gevolg van de nieuwe schaarste, niet te dalen. Het 'compenseren' van boeren kan achterwege blijven, althans voor zover het boeren met voldoende quota betreft. Andere boeren leggen het loodje, en zij zullen natuurlijk wel sociaal gesteund moeten worden. Maar dat is dan een tijdelijke zaak. Dat is beter dan het vooruitzicht van een boerenstand die jaar in jaar uit wordt gekweld door lage prijzen en met geld uit Brussel het hoofd boven water moet houden.