Collecte voor leerstoel christelijk onderwijs

ZWOLLE, 26 okt. Er komt een bijzondere leerstoel Christelijk Onderwijs. Een startkapitaal van 100.000 gulden is er al. Na een collecte onder christelijke schoolbesturen zal blijken of het een part-time of volledige hoogleraarsplaats wordt.

Dit bleek gisteren tijdens het symposium 'Opvoeding en onderwijs 2000', waarmee de besturenraad voor het protestants-christelijk onderwijs (PCO) vierde dat hij volgende week honderd jaar bestaat. De hoogleraar Christelijk Onderwijs zal 'de eigenheid van christelijk onderwijs en opvoeding in al haar facetten' moeten formuleren. Vervolgens zal hij dienen te onderzoeken hoe het onderwijs daaraan vorm kan geven. Volgens voorzitter M. Brommersma van de besturenraad PCO is de leerstoel onontbeerlijk in een tijd waarin 'de vrijheid die wij nodig hebben om aan onze opdracht te voldoen weer ter discussie wordt gesteld'.

Het bestaansrecht van het christelijk onderwijs wordt steeds vaker in twijfel getrokken. Het neemt veel kinderen op die niet christelijk zijn, maar meer ouders verwachten dat christelijk onderwijs beter is dan openbaar onderwijs. Het christelijke karakter van scholen lijkt hierdoor en door het gebrek aan wat Brommersma noemt 'christelijke antwoorden op de problemen van onze tijd' te verwateren. Behalve de nieuwe hoogleraar moet een studiecommissie 'een visie op het christelijk onderwijs ontwikkelen'.

Dat beide initiatieven 'misschien wat laat worden genomen' verklaarde Brommersma door erop te wijzen dat het protestants-christelijk onderwijs '86 jaar lang verdeeld is geweest'. In zijn huidige vorm bestaat de besturenraad pas sinds 1976. 'Maar het is nog niet te laat.'

In 1890 werden er twee organisaties voor het protestants-christelijk onderwijs opgericht: de gereformeerde Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel (de huidige PCO) en de veel kleinere Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO), voor hervormde scholen. Beide waren een antwoord op de in 1889 aangenomen schoolwet-Mackay, die voorzag in een eerste, gedeeltelijke subsidiering van het bijzonder onderwijs door de staat. Zij vertegenwoordigden het christelijk onderwijs bij de overheid, adviseerden schoolbesturen, bemiddelden bij conflicten en probeerden zo veel mogelijk protestants-christelijke scholen te stichten. Pas toen de ontzuiling doorzette gingen de twee organisaties in 1976 in elkaar op.

Belangrijk onderwerp in de besprekingen met de overheid was honderd jaar lang de vrijheid van onderwijs. Het speelde bij de financiele gelijkstelling met het openbaar onderwijs in 1917 (die mogelijk tot veel staatsbemoeienis zou leiden), bij de invoering van de Mammoetwet in 1968 en nu bij de discussies over schaalvergroting. Volgens dr. W. ter Horst, emeritus-hoogleraar orthopedagogiek en een van de sprekers op het symposium, is het 'gepraat over de opheffing van kleine scholen, om nog beter te kunnen organiseren en programmeren, een triest voorbeeld van de ontmenselijking van het onderwijs'.

Ter Horst pleitte voor 'meer onbevangenheid' in het christelijk onderwijs. 'De technische benadering wil leerlingen classificeren, indelen in categorieen, typen, karakters en intelligentiegroepen. Maar voor opvoeding is meer nodig. Kinderen zijn in de eerste plaats personen.' Ter Horst: 'Ik ken een paar christelijke scholen waar de concierge de enige echte opvoeder is. Die durft onbevangen de waarheid te zeggen, niet gehinderd door op dat moment niet terzake doende technische kennis en psycho-bla-bla.'

Ook andere sprekers stelden de 'drang tot technische beheersing' in het onderwijs verantwoordelijk voor de teloorgang van het christelijke karakter op veel scholen. Volgens hoogleraar theologie dr. H. W. de Knijff zou de school in plaats van 'een apparaat dat voorbereidt op het maatschappelijk systeem' weer een plaats van verwondering moeten worden, waar kinderen 'leren dat het leven ook een levensbeschouwelijke kant heeft'.

De Knijff vond het vreemd dat 'bijvoorbeeld antroposofen wel tot het definieren van pedagogische idealen kunnen komen en christenen niet'. Hij meende dat op christelijke scholen 'weer iets zichtbaar moet worden van de diepere betekenis van elementaire dingen uit het gewone leven, zoals brood, water, licht, zon, dag, arbeid enzovoort'.