Chailly maakt Schonberg doorzichtig

Het deeltje Farben uit Arnold Schonbergs Funf Orchesterstucke uit 1909 begin en tevens hoogtepunt in de eerste fase van de 'vrije atonaliteit' heeft altijd sterk tot de verbeelding gesproken. Slechts enkele akkoorden worden in steeds andere instrumentatie wisselend belicht en verder gebeurt er eigenlijk vrijwel niets. De verstilde, bijkans mystieke sfeer heeft de componist veertig jaar na dato 'verklaard': het zou een muzikale verbeelding zijn van een verstilde zomermorgen aan het water, compleet met opspringende visjes in de hoge fluiten.

Wat ogenschijnlijk niet meer is dan het voortdurend inkleuren van twee akkoorden bleek goed om steeds nieuwe generaties te boeien. Schonbergs laatste leerling, Max Deutsch, kwam met de onthulling dat onder de oppervlakte een fuga-constructie uit het stemmenweefsel af te leiden valt.

Op het eerste Serie C-concert van dit seizoen dirigeerde Ricardo Chailly de zelden uitgevoerde gereduceerde orkestversie uit 1949, toen de componist het eindelijk aandurfde om zijn enigszins kitsch-achtige, buitenmuzikale inspiratie op te biechten. Chailly verzorgde, geholpen door deze versie, een glasheldere lezing met een zorgvuldige afweging van hoofd- en begeleidingsstemmen. Het vierde deel, Peripetie genaamd, waarmee de componist verwees naar het onafwendbare keerpunt in het verloop van een tragedie, werd wel heel sterk aangezet: zo verwordt dramatiek tot pathetiek.

De tegenstelling met Hindemiths vrijblijvend voortkabbelende Kammermusik no.2 voor obligaat piano en twaalf solo-instrumenten, was overigens ook al niet gering: daar veranderde de sympathiek muzikanteske instelling van Ronald Brautigam niets aan. Het betrof een reprise van een concert in het afgelopen Holland Festival, dat in de plaats kwam van het afgelaste Ligeti-concert.

Na de pauze was er nog zo'n tegenstelling, te weten tussen Geert van Keulens pretentieloze Armonia voor strijkers uit 1988, geschreven voor het honderdjarig bestaan van het Concertgebouworkest, en Varese's uiterst eruptieve Arcana uit 1926-'27.

Armonia begint ongeveer zoals het middendeel van Bartoks Tweede pianoconcert, uiterst zacht en langzaam, zij het minder desolaat. Even lijkt, in enkele gedeelten voor solostrijkers, scherpte door te breken, als een pentekening in een aquarel, maar een werkelijke ontwikkeling blijft uit en het begin keert terug, door tremoli iets meer aangezet, maar weer zonder door te zetten, zodat niet meer dan een suggestie aan spanning overblijft.

In Varese's Arcana spelen de strijkers slechts een ondergeschikte rol, blazers zoals een achttal hoorns en de twaalf slagwerkers hebben een veel prominentere plaats. Door Chailly's bijzondere aanpak werden de Stravinskiaanse facetten het meest belicht (Stravinski heeft eens pijnlijk nauwkeurig de maten die aan zijn werk zijn ontleend als zodanig geanalyseerd), te vergelijken met een blikseninslag die secondenlang het uitspansel vreemd hel kan doen oplichten. Een eenzijdige lezing, maar een zeer fascinerende.