Bouwvakkers te koop; Het commerciele succes van de Sovjetkunst

Hoewel de handel in moderne Russische kunst dankzij glasnost en perestrojka geen ondergronds bestaan meer hoeft te leiden, verkoopt het werk van de meeste kunstenaars slecht in het westen. Voor hun 'avantgardistisch academisme' is geen markt te vinden. Met de officiele Sovjetkunst gaat het veel beter. 'Nu van het communisme weinig meer te vrezen valt, versieren miljonairs de muren van hun huizen met dure schilderijen van gespierde tractorbestuurders.'

Sinds half september schreeuwt een gele markies in de Amsterdamse Kerkstraat om aandacht. 'Galereia' staat er in Cyrillisch schrift op om aan te geven dat zich achter de pui een galerie in Sovjetkunst bevindt. De schilderijen die er hangen zijn ontegenzeggelijk 'modern' en zouden door de voorgangers van Gorbatsjov zijn verboden. Eigenaar van de WFK Galerie is Henk Koperberg, voorheen groothandelaar in damestassen in Oostenrijk en restauranthouder in Amsterdam. Afgelopen voorjaar verkocht hij zijn restaurant en ging hij in de Sovjet-Unie op zoek naar kunst. 'Zelf houd ik erg van Cobra maar dat zie je overal al', vertelt Koperberg in zijn galerie. 'Voor de Sovjet-Unie interesseerde ik me al heel lang. Toen ik er afgelopen voorjaar naar toe ging, dacht ik dat je schilderijen voor 300 gulden kon kopen, maar dat is al lang niet meer het geval.' De prijzen van de werken in de WFK Galerie bevestigen zijn bewering: een neo-suprematistische collage van Baranov kost 3700 gulden en een Cobra-achtig doek van Chodirjev moet 8200 gulden opbrengen.

Koperberg is een van de vele westerse galeriehouders die handel zien in moderne Sovjetkunst die dank zij perestrojka en glasnost geen ondergronds bestaan meer hoeft te leiden. Handel in moderne kunst is niet langer gevaarlijk in de Sovjet-Unie.

Last van Russische concurrentie hebben de galeriehouders en kunsthandelaren niet. Een kunstmarkt bestaat eigenlijk nog steeds niet in de Sovjet-Unie. Moskou, een stad van meer dan acht miljoen inwoners, heeft slechts een stuk of vier commerciele galeries, die hoofdzakelijk verkopen aan buitenlanders. Aan moderne kunst geven de bewoners van de Sovjet-Unie geen geld uit, al verschijnen er in de westerse pers steeds berichten over de grote sommen geld die ze te besteden zouden hebben door de tekorten aan vrijwel alles.

Hoogtepunt van de handel in moderne Sovjetkunst was de eerste kunstveiling in Moskou, die in juli 1988 door het veilinghuis Sotheby's werd georganiseerd. Dankzij de koopwoede van buitenlanders werden de prijzen voor Russische begrippen tot duizelingwekkende hoogten gestuwd: popster Elton John kocht voor 154.000 gulden een schilderij van Svetlana Kopistjanskaja dat was getaxeerd op 8.750 gulden, Fundamenteel Lexicon van Grigori Broeskin bracht zelfs 847.000 gulden op. Maar de inmiddels legendarische Moskouse Sotheby's-veiling bleek niet maatgevend. Weliswaar zijn bekende kunstenaars als Ilja Kabakov en Erik Boelatov inmiddels verbonden aan gerenommeerde westerse galeries die hoge prijzen voor hun werk vragen, maar de meeste andere ex-onofficiele kunstenaars gaat het zakelijk gezien niet goed. Zo bleken al op de Londense herfstveiling van Christie's in 1989 acht van de dertien werken van hedendaagse Sovjetkunstenaars onverkoopbaar en haalde slechts een schilderij de richtprijs. En in november van datzelfde jaar veilde Phillips, na Christie's en Sotheby's het derde Londense veilinghuis, slechts 44 van de 88 moderne Sovjetkunstwerken.

'Russische kunst verkoopt slecht', zegt Jan Dijkstra, die sinds twee jaar een galerie heeft waar hij vaak werk van Poolse en Russische kunstenaars toont. 'Afgelopen zomer had ik een tentoonstelling van Jekaterina Medvedeva en ik heb niets verkocht. Russische kunstenaars komen met hoge verwachtingen naar het Westen, maar meestal loopt het uit op een teleurstelling. Ze vragen veel te veel. Totaal onbekende kunstenaars willen 4000 gulden hebben voor een werk waar een Nederlandse kunstenaar 1000 gulden voor zou vragen. Ik kan ze niet aan het verstand peuteren dat ze te veel vragen, ze denken dat het geld hier voor het oprapen ligt. Maar misschien ligt het ook wel voor deel aan het werk zelf. In vergelijking met Poolse kunstenaars die het wel goed doen, hebben de Russen zelden iets eigens. Ze willen westerse kunst maken en dat ontaardt vaak in een soort avantgardistisch academisme. Maar de Russen zijn dan ook veel langer gebukt gegaan onder het socialistisch realisme.'

Zeldzaam

Voor de meeste vroegere ondergrondse kunstenaars mag de perestrojka financieel weinig hebben opgeleverd, het werk van hun vroegere vijanden, de kunstenaars die keurig lid waren van de Unie van Kunstenaars, doet het juist verrassend goed in het westen. Er heeft altijd een bescheiden markt voor officiele Sovjetkunst bestaan, vooral in West-Duitsland en Zwitserland. De Westduitse oliehandelaar Robert Nicolay sloot al in 1956 een contract met Mezjdoenarodnogo Kniga, de Sovjetinstelling voor buitenlandse kunsthandel, voor de export van kunstvoorwerpen. Jaarlijks verkoopt hij 1000 schilderijen.

Eind jaren zeventig begon de Akense chocoladefabrikant en kunstverzamelaar Peter Ludwig officiele Russische kunst te kopen, later volgde de ex-uitgever van het blad Der Stern Henri Nannen in Emden. Twee jaar geleden presenteerden beide Duitse verzamelaars hun aankopen op grote tentoonstellingen. De officiele Sovjetkunst bleek toen veel meer te omvatten dan orthodox socialistisch-realistische schilderijen van stoere tractorbestuurders: landschappen in allerlei stijlen hingen naast fotorealistische doeken en er waren zelfs enkele abstracte werken te bewonderen. Toch konden de critici er weinig waardering voor opbrengen: 'oninteressant' was nog hun vriendelijkste kwalificatie. Voor het orthodoxe socialistisch realisme, dat overigens in de collecties van Ludwig en Nannen ontbreekt, hebben de Westerse critici nooit een goed woord overgehad. Het werkte vooral op hun lachspieren.

Tegenwoordig zijn het juist deze zo verketterde socialistische idylles die op de Westerse kunstmarkt het meeste geld opbrengen. Nu van het communisme weinig meer te vrezen valt, versieren miljonairs de muren van hun huizen met dure schilderijen van gespierde bouwvakkers. Zo verkocht Roy Miles, een in Russische kunst gespecialiseerde galeriehouder in Londen, In het Winterpaleis van Anatoli Kazantsev (1908-1973) voor 420.000 gulden. Miles had het onvervalst socialistisch-realistische tafereel van bewapende revolutionairen op de trappen van het tsarenpaleis gevonden op de zolder van een instituut in Moskou. 'Maar ze worden al zeldzaam', lacht Miles. 'Vrijwel alle socialistisch-realistische schilderijen werden in opdracht gemaakt om in openbare gebouwen te hangen en het aanbod is dus beperkt.' Orthodoxe socialistisch-realistische schilderijen vormen dan ook een minderheid in het aanbod van Miles. Het grootste gedeelte daarvan bestaat uit landschappen, stillevens, portretten en genre-taferelen in allerlei stijlen, van een beschaafd impressionisme tot een wild expressionisme. De prijzen varieren van 5.250 gulden voor een klein landschap tot 3,5 miljoen gulden voor een groot doek uit 1905 van Ilja Repin (1844-1930), de grote Russische realist en voorloper van het socialistisch realisme.

Hel

Roy Miles begon zijn galerie in Russische kunst al in 1984, nadat hij in de jaren zeventig naam had gemaakt met de handel in schilderijen van de prerafaelieten en andere Victoriaanse schilders. 'Begin jaren tachtig merkte ik dat ik met het opsteken van mijn vinger bij Christie's weinig meer kon verdienen', zo verklaart hij zijn overgang van roodharige Engelse maagden naar Stachanov-arbeiders. 'Heel het westen is door kunsthandelaren afgegraasd en ik dacht toen: de Sovjet-Unie beslaat toch een zesde deel van de wereld, daar moet toch wat te halen zijn.'

Het bleek een juiste gedachte. Hij heeft nu tien medewerkers en opende begin vorig jaar de grootste galerie van Londen in de chique wijk Mayfair. Miles handelt niet in Russische kunst uit liefde voor de Sovjet-Unie. 'Ik ga drie keer per jaar naar dat afschuwelijke land. Het eten is er slecht, de hotels zijn beroerd en het reizen is er een hel', klaagt hij. 'Meestal koop ik het werk direct van de kunstenaars of hun familie, soms van instellingen of bedrijven die nu vrij zijn om hun kunstbezit te verkopen. Ik heb een speciale overeenkomst gesloten met het ministerie van cultuur dat ik zoveel kunst mag exporteren als ik wil. Maar dat is dan ook zo'n beetje het enige dat klopt in dat land. Sommige kunstenaars zitten nu al bijna een jaar te wachten op hun geld, hoewel ik al lang heb betaald aan het ministerie, in buitenlandse valuta uiteraard. De kunstenaars krijgen tien procent van het geld dat ik aan het ministerie betaal, de rest is voor de kunstenaarsbond en het ministerie zelf. Het wantrouwen van de kunstenaars groeit elke keer dat ik er kom, ook doordat ze denken dat ik enorme winsten maak en hen afscheep met een fooi.'

Op de vraag of hij geen moeite heeft met de handel in kunst die toch een misdadig regime verheerlijkte en niet wezenlijk anders was dan die van de nazi's, antwoordt Miles gelaten: 'Ach ja, sommige snobs zullen wel weer vinden dat handel in socialistisch-realistische kunst ethisch niet verantwoord is. Maar de omstandigheden waren toen eenmaal zo in de Sovjet-Unie, daar konden die kunstenaars ook niet zoveel aan doen. En bovendien: wat is er verkeerd aan realistische arbeiders? Het gaat erom hoe het kunstwerk is uitgevoerd. En dat is in alle gevallen met een groot meesterschap gedaan. In de Sovjet-Unie is het ambachtelijke in de schilderkunst behouden gebleven, iets dat in het Westen toch verloren is gegaan.

'In de Sovjet-Unie vervult kunst een andere rol dan hier. In het Westen is kunst iets voor de elite, maar in de Sovjet-Unie betekent kunst nog echt iets. Daar staan de mensen in de rij voor een tentoonstelling en kost de toegang tot de musea praktisch niets. Kunst is in de Sovjet-Unie bereikbaar voor iedereen, dat heeft het socialisme in ieder geval voor elkaar gekregen. Hier wil Thatcher de vrije toegang van kinderen in musea afschaffen!'

Volgens Miles zijn de klanten van zijn galerie, onder wie de acteur Michael Caine en de twee leden van de popgroep The Pet Shop Boys, op zoek naar degelijke, ouderwetse kunst voor een betaalbare prijs. 'Het meeste verkoop ik aan niet-Engelsen, vooral aan Duitsers en Amerikanen. De verschillende volkeren vertonen opvallende voorkeuren. De Duitsers houden het meest van de soldatenschilderijen, de voorkeur van de Zweden gaat uit naar portretten en de Amerikanen willen vooral landschappen.'

Inmiddels heeft Miles, die zijn werkterrein naar andere Oosteuropese landen heeft uitgebreid, te maken gekregen met felle concurrentie. In Londen handelen nu ook de Century Gallery, de Berkeley Gallery en de drie veilinghuizen Christie's, Sotheby's en Phillips in wat vroeger officiele Russische kunst was. De Letse emigrant Eduard Nakhamkin, die evenals Miles een speciaal contract met het Sovjetministerie van cultuur sloot, heeft galeries in New York en sinds kort ook in Hong Kong. De Armenier Vartouhi Basmadjian was de Parijse concurrent van Miles tot hij vorig jaar uit het Moskva-hotel in Moskou werd ontvoerd. Later werd Basmadjian langs een spoorbaan vermoord teruggevonden. De toedracht van deze moord is nooit duidelijk geworden de mafia is machtig in Moskou maar sindsdien laat Miles zich op zijn kooptochten door de Sovjet-Unie begeleiden door bodyguards.

Onderkant

In Nederland is Gebroeders Douwes Fine Art de eerste kunsthandel die zich waagt aan de figuratieve Sovjetkunst van 1920 tot 1980. De laatste jaren heeft Douwes Fine Art honderd Russische schilderijen gekocht van Londense galeries en via een Duitse ondernemer die zaken doet in de Sovjet-Unie direct van de kunstenaars. De eerste twee weken van november zal Douwes een groot deel daarvan tentoonstellen in het statige pand aan het Rokin in Amsterdam.

In de collectie van Gebroeders Douwes Fine Art komen eigenlijk geen orthodox socialistisch-realistische schilderijen voor. Een schilderij als Voor de Storm van Nikolaj Obrynba uit 1957, waarop zwoegende vrouwen zijn te zien die het graan in veiligheid brengen voor het komende noodweer, komt nog het dichtst in de buurt, maar mist toch de vereiste dosis stralend optimisme. Net als bij de Roy Miles Gallery bestaat het grootste gedeelte van Douwes' aanbod van Russische schilderijen uit landschappen, portretten en stillevens van kunstenaars die lang voor de Tweede Wereldoorlog zijn geboren en eretitels als 'nationaal kunstenaar van de Oekraine' hebben.

'De onderkant van de kunstmarkt is weggevallen', zegt Evert Douwes sr. over zijn drijfveer om in Sovjetschilderijen te handelen. 'Kon je een jaar of vijf geleden een schilderij van Jan Sluyters nog voor 30 a 40.000 gulden kopen, nu ligt de prijs van een Sluyters boven de ton. Voor een beginnende verzamelaar zijn de prijzen veel te hoog. De Russische kunst kan hierin uitkomst bieden. Een stilleven van bij voorbeeld Nikolaj Gorlov doet niet onder voor dat van de Franse fauvist Henri Manguin. Alleen betaal je voor een Manguin meer dat twee ton en ben je voor een werk van Gorlov ongeveer een vijfde kwijt.'

Als dit 'sociaal realisme', zoals Evert Douwes sr. de stijl van veel van zijn Russische schilderijen omschrijft, ook in Nederland aanslaat, zal ook hij naar de Sovjet-Unie gaan om kunst te kopen. 'De voorraad daar is enorm', beweert hij. 'Het atelier van bij voorbeeld de schilder David Rubinstein, een ruimte van tien bij tien meter, schijnt voor zeker een derde vol te staan met schilderijen.' Roy Miles drukt zich krachtiger uit: 'De Sovjet-Unie is de laatste kunstmarkt op de wereld en gaat de kunsthandel van de jaren negentig beheersen.'

Het communisme gaat tenonder, maar zijn kunst is een onvervalst commercieel succes. Niet de good guys, de onofficiele kunstenaars uit het pre-glasnosttijdperk, worden beloond, maar de bad guys, de brave leden van de Kunstenaarsbond.

Tentoonstelling: Russische schilderijen. Gebroeders Douwes Fine Art, Rokin 46 Amsterdam. 1 t/m 16 november. Geopend ma. t/m vr. 10-17 uur.

Tot en met 28 oktober is de tentoonstelling ook nog te zien op de nationale kunst- en antiekbeurs Pan '90 in de Rai in Amsterdam.