Virtuose veelluiken van Evert Thielen staan in de klassieke schildertraditie; Waterdruppels op een jonge huid

Op een foto in de kleine catalogus bij zijn tentoonstelling in de Haagse galerie De Twee Pauwen presenteert Evert Thielen zich als een snelle, jonge zakenman die hij in werkelijkheid zeer waarschijnlijk niet is. Zijn glanzend gepoetste schoenen, vouw in de pantalon, stropdas en zijn verzorgde kapsel dragen bij aan de demonstratie van een artistieke stellingname die tegendraads is en dus allerminst zakelijk. Zeker niet toen hij een jaar of tien geleden die barricade betrok. Thielen verdedigt het standpunt dat de eigentijdse schilderkunst zich dreigt te verliezen in over elkaar heen tuimelende vernieuwingen die geen verrijking of verbetering betekenen, maar die meestal zijn gebaseerd op pseudo-originaliteit. De eis om vernieuwend te zijn acht hij net zo drukkend als enkele generaties terug de verstarrende academische tradities. De ongebondenheid als fundamentalistische leerstelling ziet hij als camouflage van gebrek aan kennis en van ambachtelijke onmacht. Als consequentie van deze mening verbond hij het eigen talent met de bestudering van vooral de laatmiddeleeuwse schilderkunst en van de klassieke schildersmaterialen en -methoden. Evert Thielen deed dat als autodidact: na anderhalf jaar verliet hij de Haagse academie omdat hij meende daar niet de vereiste ruimte en aandacht voor zijn opvattingen te krijgen. In samenwerking met wetenschappers van de Leidse universiteit achterhaalde hij de oude recepturen voor verven en vergeten technieken als sgrafitto en presbokat waarmee bepaalde effecten in de stofuitdrukking bereikt kunnen worden.

Dat alles resulteerde nog voor zijn dertigste in een veelluik van zeven mahoniehouten panelen met elf fijngeschilderde voorstellingen. Het object was Thielens beginselverklaring. Het was gewijd aan de schilderkunst en behandelde de diverse klassieke genres zoals stadsgezicht, landschap, portret, zelfportret, naakt en gekleed model. Aan de opzet was te zien dat de schilder betrokken was geweest bij een onderzoek naar het veelluik Lam Gods van Jan van Eyck en ook dat Thielen al doende was gesterkt in zijn overtuiging dat de tradities van de klassieke schilderkunst en de in de loop der eeuwen vergaarde technische mogelijkheden alleszins kunnen bijdragen aan een eigentijdse figuratie in het kader van eigentijdse allegorieen. Bovenal werd met het veelluik bewezen dat Thielen een virtuoos schilder is die zichzelf graag moeilijke opdrachten stelt.

In zijn verdere ontwikkeling, die in 1986 zichtbaar werd op een overzicht in het Larense Singermuseum en nu in de galerie De Twee Pauwen, is de soms behaagzieke demonstratie van die virtuositeit gebleven. Maar is zijn techniek is wat losser geworden en de fotografische fijnschildering is ingeruild voor een wat bredere, vrijere penseelstreek, al bleef de figuratie als principiele basis gehandhaafd. De nog maar 36-jarige Thielen heeft zich mede door zijn technische ontwikkeling losgemaakt van een als magisch te omschrijven realisme a la Willink en Koch. Zijn schildertrant is wel aangeduid als poetisch realisme en dat lijkt een goede typering. Zijn handschrift wordt onderstreept door zijn eigen techniek, hij schildert met zijn nog steeds zelf bereide verven in transparante lagen op houtpaneel.

In zijn recente werk is er veel aandacht voor het landschap, soms gecombineerd met naakt en gekleed model. Op de zeer grote panelen zijn duinen geschilderd in tegenlicht onder een zware bewolking. Planten en grassen worden in een zilverachtig licht geisoleerd en zelfs de lichtplekken onder de bomen in een bos zijn tot het in de verste verte gedetailleerde panorama te zien. Thielen voorziet zijn thema's steeds van een extra moeilijke makende factor en gaat die dan met al zijn kennis, talent en vakmanschap te lijf. Alsof hij steeds opnieuw het meesterstuk voor zijn gilde moet maken. Dikwijls met inderdaad verbluffende resultaten, soms ook met merkwaardige uitglijders. Zoals in het bijna twee bij twee meter grote paneel Baadsters, de moderne versie van een klassiek onderwerp. Vijf verblindend mooie vrouwen in een badhuis, zich overgevend aan waterstralen of zich afdrogend, hetgeen vele, anders geforceerde houdingen mogelijk maakt. De uitdaging voor de schilder lag hier in bijvoorbeeld de weergave van waterdruppels op jonge huid in allerlei lichtomstandigheden. Die extra erotiserende factor in de voorstelling kan de schilder met gemak aan, maar hij is er blijkbaar zo mee doende dat hij te weinig aandacht heeft voor de vreemde verkramping waarin hij twee vrouwen rechtsonder achterlaat. Hun houdingen kloppen niet, emotioneel niet en schilderkunstig niet, maar de virtuoos heeft even zijn kruit verschoten en laat het maar zo. Daar staan in Den haag overigens enkele voltreffers tegenover. Zoals Besloten tuin, een achterover liggend vrouwelijk naakt, half verborgen en zich letterlijk verlustigend in een wilde woekering van even wellustig weergegeven planten en bloemen. En vooral het kleine paneeltje Wachten: door een openstaande deur wordt een zich onbespied wanend jong meisje toch waargenomen. Zij is in diep gepeins verzonken en de kleuren van haar kledij komen in de muur achter haar en op de glanzende deur terug, waardoor de stemming van lichte weemoed in de voorstelling wordt ondersteund.

Een aantal van de nu getoonde schilderijen zijn te beschouwen als voorstudies voor een nieuw groot veelluik waaraan Thielen werkt. Het wordt, aldus drs. Loek Brons in de catalogus, een object met achttien panelen rondom het thema de schepping. Het zal over ongeveer anderhalf jaar interessant zijn Thielens nieuwe manifest te vergelijken met zijn geschilderde intentieverklaring uit 1982.