SEIZOEN VAN DE INDIASE FILM IN FILMHUIZEN EN SOETERIJN; Waaris grootste filmster van India?

Tegen de achthonderd films per jaar worden er in India geproduceerd enondanks kleurentelevisie en videopiraterij trekken de bioscopen inde stad en op het platteland nog steeds heel veel publiek. Filmdomineert een deel van India's dagelijks leven. Twee miljoen mensenverdienen er hun brood mee, filmmuziek is alle uren van de dag op veleradiostations te horen en honderden tijdschriften vullen er hun kolommenmee. Filmsterren zijn godgelijke helden, met een reele macht die zich zelfskan uitbreiden naar de politiek.

Tenminste, dat moeten we geloven van de catalogus bij het retrospectieve filmprogramma Cinema India: romantiek en realiteit uit de Indiase droomfabrieken. Want daadwerkelijk valt er van die filmoverdaad hier weinig te merken. De enige Indiase films die de schermen hier bereiken zijn geen doorsnee Indiase films maar uitdrukkelijk kunstzinnige produkties. Ze gaan altijd over gewone mensen, hebben meestal een politieke lading en doen hun verhaal nadrukkelijk zonder helden, zonder filmsterren, zonder glamour. Ze worden vertoond in het circuit van de internationale filmfestivals en een enkele is vervolgens te zien in een plaatselijk Filmhuis.

Dankzij het cultureel akkoord dat Nederland in 1987 sloot met India organiseert Soeterijn, huistheater van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam, nu het 'seizoen' Indiase films (men wilde af van het woord 'festival'). Tot en met januari zal er hier te zien zijn waar de Indiase bevolking nu al decennia voor te hoop loopt.

Althans, dat zou je verwachten. Maar nee. Het festival strekt zich uit over drie maanden. In december komt de New India Cinema aan bod, dat wil zeggen films van het kunstzinnige soort dat hier al eerder te zien was: werk van Satyayit Ray en Mrinal Sen, en van hun volgelingen. Voorvertoond werd een recente produktie van deze New Cinema: Piravi (De geboorte, 1988) van Shaji. Het is een taaie, ongemakkelijk langzame film over een oude man op het platteland tevergeefs wacht op zijn zoon. Die is in de stad gaan studeren en is, zo blijkt na eindeloos gezever, bij een politiek relletje opgepakt en 'verdwenen'. Er valt weinig te melden over deze film. Kaders en tempo zijn pretentieus maar weinig bijzonder, de acteursregie laat veel te wensen over en het verhaalverloop is alleen te begrijpen voor de ingewijde. Of voor wie het programma-boekje heeft gelezen, want daarin wordt uitgelegd dat met deze film het probleem van de rigide maatschappij-indeling der kasten wordt aangesneden. Een film als deze is dus bedoeld voor lokaal of regionaal gebruik en bij gebrek aan een algemener artistieke kwaliteit nauwelijks geschikt voor uitvoer. Dat geldt minder voor de films van Ray en Sen, cineasten in de universele betekenis van het woord. Maar hun films waren, niet voor niets, al algemener bekend.

In januari zal dit 'Seizoen van Indiase films' gewijd zijn aan de documentaire filmer Ritwik Kumar Ghatak opnieuw films die de Indiase filmcultuur niet direct typeren en opnieuw films die in Nederland niet volslagen onbekend zijn. De specifiek geinteresseerde, voor wie een festival als dit bedoeld is, heeft er een jaar eerder al kennis van genomen, tijdens het Film Festival Rotterdam 1990, waar de hier geprogrammeerde films op twee na al te zien waren. Ghatak heeft zelfs een Nederlandse fanclub in de personen van enkele Nederlandse filmmakers. Begin dit jaar maakten zij gezamenlijk een korte film over hem.

Alleen komende maand wordt er iets verhelderd over de doorsnee Indiase film die in zulke grote hoeveelheden wordt gemaakt, en waar zoveel mensen van Delhi tot Madras naar gaan kijken. Maar wordt ons iets duidelijk? Nee. Want het programma beperkt zich tot het verleden. Het concentreert zich op de populaire Bombay-films uit de jaren vijftig maar laat dan bijvoorbeeld de film Mother India (1957) weg, die toch in de catalogus beschreven wordt 'een monument van de Indiase cinema' en als een 'antwoord op Gone With the Wind'. Tijdens de persviewing vond men het noodzakelijk een film uit dit programma-onderdeel uitgebreid toe te lichten. Een dame vertelde dat deze film wel erg lang duurde en dat we misschien zouden draaien op onze stoelen, maar dat dat kwam doordat allerlei genres worden gemengd: musical, melodrama, komedie en romance. Zich verontschuldigend weidde ze uit over de sterren van deze film die alle horen tot het, nog steeds actieve, acteursgeslacht Kapoor (vader, zoon en geliefde, kleinzoon) en opnieuw bereidde ze ons voor op de lange zit: drie uur duurt Awaara (1951) en drie uur lang heb ik geboeid gekeken naar een, door Chaplin en het Italiaanse neorealisme beinvloed, kitsch-drama dat stond als een huis door de balletten, de onbeschaamd ordinaire smacht-liederen en het effectieve melodrama over sociaal onrecht, goed en kwaad, lot en noodlot.

In de catalogus die steeds meer een Tantaluskwelling wordt, zo veel interessants wordt erin beschreven dat vervolgens in dit festival niet te zien is valt te lezen dat de populaire Indiase cinema nog altijd zijn publiek behaagt met deze 'All India Film'. Sterren, liedjes, dans zijn nog steeds de uitgangspunten. In het programma van Cinema India ontbreken ze. Zelfs een film met Amitaph Bachchan, verschillende malen aangehaald als de grootste topster van dit moment die niet ziek kan worden of half India leeft mee, is ons niet gegund.