Roerige tijden voor het beroepsonderwijs

ROTTERDAM, 25 okt. Grote regionale scholen waarin onder meer het middelbaar beroepsonderwijs, het leerlingwezen en het volwassenenonderwijs zijn ondergebracht. Zelfstandige 'onderwijsbedrijven', die zelf aan voldoende geld moeten zien te komen voor docenten, apparatuur en huisvesting.

Dit beeld rijst op uit de reactie van het kabinet op het advies van de commissie Onderwijs en Arbeidsmarkt, ook bekend als de 'commissie-Rauwenhoff', die minister Ritzen (onderwijs) en zijn staatssecretaris Wallage vorige week publiceerden. Gisteren begon het overleg met werkgevers en vakbonden over het kabinetsstandpunt.

Werkgevers in het bedrijfsleven en bij de (semi-)overheid worden in dat standpunt geacht ook voor het onderwijs aan mogelijk toekomstige werknemers diep in de beurs te gaan tasten.

Dat is gerechtvaardigd, volgens Ritzen, omdat de overheid, toen het slecht ging met de economie, de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor de scholing heeft overgenomen. Nu het weer beter gaat, moeten de bedrijven een deel van die verantwoordelijkheid terugnemen.

De bedrijven krijgen voor hun financiele bijdrage iets terug: directe zeggenschap over de scholen. Ritzen en Wallage willen hen een belangrijke plaats geven in de schoolbesturen.

Ritzen erkent wel dat er intussen veel is veranderd in het beroepsonderwijs. Ook daar dient het intiele onderwijs geleidelijk aan de studenten vooral te 'leren leren', opdat ze later door bij- en nascholing de ontwikkelingen kunnen blijven volgen. Daar kan en mag het bedrijfsleven niet verantwoordelijk voor zijn, omdat dit niet kan garanderen dat het lange-termijn-ontwikkelingen zal laten prevaleren boven korte-termijn-belangen.

Voor onder meer het middelbaar beroepsonderwijs breken er zo roerige tijden aan. Het zal immers ook worden geconfronteerd met aanzienlijke bezuinigingen, al wordt die term vermeden in het document van Ritzen en Wallage. En terwijl de scholen nog druk bezig zijn met fuseren wordt meegedeeld dat ze maar snel met de volgende fusieronde moeten beginnen.

In de kabinetsreactie worden dus ingrijpende wijzigingen voorgesteld in het onderwijs. Bezuinigen lijkt daarbij een belangrijke drijfveer. Zo kondigen de bewindslieden aan dat zij voor het middelbaar beroepsonderwijs de nu nog gebruikelijke 'open einde-financiering' willen beeindigen. Het budget van een school wordt niet langer bepaald door een vergoeding van de kosten per student. De scholen krijgen een vast bedrag en als er meer studenten komen, betekent dat dus minder geld per student.

Voor Ritzen heeft dat het voordeel dat hij aan het begin van het jaar precies weet hoeveel hij aan dit onderwijs kwijt is. Hij wordt dus niet meer geconfronteerd met 'tegenvallers' als er meer studenten komen dan was begroot.

In de onderwijssector waar het advies zich op concentreert en de reactie van Ritzen en Wallage nog meer , namelijk het voortgezet ofwel middelbaar beroepsonderwijs, is de komende jaren nog de grootste toename van het aantal studenten te verwachten. De bewindslieden hebben daar geen geld meer voor, zo schrijven ze. Ze leggen daar in elk geval geen prioriteit. Niet voor een evenredige toename van het aantal docenten en zeker niet voor het op peil brengen van de apparatuur in de scholen.

De onderwijsinspectie berekende enkele jaren geleden dat er voor het wegwerken van de achterstand op het gebied van de apparatuur in het totale beroepsonderwijs zo'n drie miljard gulden nodig is. Een relatief groot deel van dat bedrag zou nodig zijn voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Ritzen heeft al sinds zijn aantreden vraagtekens gezet bij de berekeningen van de inspectie, in het kabinetsstandpunt probeert hij het probleem te verkleinen door geavanceerde apparatuur buiten beschouwing te laten. Die is, meent hij, vaak zo sterk aan bepaalde specialistische functies gebonden dat de werkgevers zelf verantwoordelijk zijn voor deze opleidingen en de daarvoor benodigde apparatuur.

Een actieplan, zoals het Regeerakkoord beloofde, is het kabinetsstandpunt al met al niet geworden. Zoals het kabinet ook veel later reageerde dan was afgesproken. Die extra tijd was nodig om een compromis te bereiken met vooral de ministers Andriessen (economische zaken) en De Vries (sociale zaken). Zij hebben Ritzen en Wallage belet nog meer financiele verantwoordelijkheid voor het beroepsonderwijs naar het bedrijfsleven te verschuiven. Ook Ritzens verwachting dat het kabinet wel extra geld voor het onderwijs zou willen uittrekken leed schipbreuk.

Om toch enig extra geld te hebben voor het helpen van mensen die te weinig opleiding hebben gekregen om aan de slag te kunnen, maken Ritzen en Wallage drie jaar lang dertig miljoen gulden vrij binnen de onderwijsbegroting. Dat geld komt uit de uitgaven voor de aanvullende studiefinanciering ten behoeve van studenten uit de laagste inkomensgroepen. Een oplossing waar deze inkomensgroepen dus op de keper beschouwd niets mee opschieten.

Maar bovenal is de keuze van Ritzen om een bezuiniging van 150 miljoen gulden in het beroepsonderwijs op het bedrijfsleven te verhalen, slecht gevallen. Het blokkeerde niet alleen een verdere medewerking van de andere ministers, ook de onderhandelingen met de verschillende partijen op de arbeidsmarkt worden er ernstig door bemoeilijkt, zoals gisteren bleek.