Revue

Als een gezette mevrouw na de pauze hetzelfde liedje zingt op Russische, Hongaarse en nog wat manieren moet het publiek om deze belegen vondst voor het eerst echt lachen bij de Berlijnse revue Kiek ma an. Er is duidelijk iets fundamenteels mis met het gebodene in 'het grootste revuetheater van Europa', dit in 1984 geopende Friedrichsstadt-Palast in Oost-Berlijn, Erich Honeckers hoogsteigen poel der zonde.

Zo'n 1900 Oostberlijners hebben vanavond onwaarschijnlijke prijzen betaald om te zien wat vroeger alleen met relaties of jarenlang wachten kon worden bezichtigd: een revuetheater met dertig langbenige 'girls', een heus zwembad dat uit de kelder omhoog rijst, in totaal 700 personeelsleden en een jaarbudget van (vroeger) 27 miljoen Ostmark. De toeloop is te begrijpen: in Oost-Berlijn, waar tachtig procent van de bevolking vreest binnenkort zijn betrekking te zullen kwijtraken, is wel behoefte aan een verzetje.

De revue begint in de 'steentijd', aan de Muur die reeds is voorzien van koddige opschriften als Coca-Cola. De acteur die hierna als tussenspel opmoet als een 'Ossie' die aan de Brandenburger Tor een toilet pacht, is of cynicus pur sang of moet avond aan avond de behoefte gevoelen zich na afloop van Kiek ma an te verhangen: zijn pointes stuiten in de zaal slechts op stilte. Volgt een paleisscene, die vermoedelijk als Honecker-parodie moet worden opgevat. En het wordt nog flauwer, als na de pauze de buhne een sexclub moet verbeelden. Wel komen nu de girls, die zich tot nu toe voornamelijk in geometrische figuren over het toneel bewogen, voor echte dans in actie. Net als vroeger, als de diepe verdorvenheid van het kapitalisme moest worden verbeeld.

De Westberlijnse senaat, beheerder van de stedelijke geldzak, heeft al aangekondigd dat het Friedrichsstadt-Palast en zijn revue behouden blijven. De 'wereldstad', het 'nieuwe New York, het 'centrum van Europa', of hoe Berlijn door zijn overwerkte bestuurders nog meer genoemd wordt, kan niet zonder een echte revue. Deze plek kan bovendien op een eerbiedwaardige traditie bogen: Erik Charell ensceneerde er in het 'Grosses Schauspielhaus' in de jaren twintig revues, die zich met die in Parijs of New York konden meten.

Ach, de jaren twintig! De Berlijner zweven daar visioenen voor het oog van revues negres en katachtig bewegende, schaars geklede dames, gevolgd door intieme soupers in etablissementen van twijfelachtig allooi, of onbeheerste slemppartijen in cafes vol arme, doch briljante kunstenaars. Hoe anders is hier de werkelijkheid: een zaal vol Oostduitse kleinburgers kijkt wantrouwig naar dertig zeer germaans uitziende danseressen in decente kledij, die zonder uitzondering een academische dansopleiding hebben genoten. Zo heeft Honecker het gewild, en een blik in het programmaboekje leert, dat de tekstschrijver, de balletmeester, etcetera, hier allen al decennialang werkzaam waren. Dat zij zich nu presenteren als verdrukte dissidenten neemt niet de indruk weg, dat de geest van de meester nog over hen vaardig is.

De kuisheid van het gebodene verrast mij een beetje, omdat ik vroeger had gelezen dat Honecker hier ook de socialistische blote dans had geintroduceerd. Bij nader inzien blijkt dat alleen te gelden voor de 'kleine revue' van half elf in de kelder, een conspiratief ogende ruimte die men door een onopvallende deur bereikt. Deze attractie is, net als vroeger, al maanden tevoren volgeboekt, maar gelukkig komt er een groepje Westduitse zakenlieden voorbij met een kaartje over, omdat een van hen tijdens het diner teveel heeft gedronken. Helaas, het drama van de grote zaal herhaalt zich op lager niveau, en ook de mate van ontbloting valt mijn Westduitse tafelgenootjes bitter tegen.

Tegen middernacht staan we definitief in de eertijds zo levendige Friedrichsstrasse. Geen chambres separees in zicht, laat staan bohemien-cafes, slechts verlaten bouwputten van het socialisme. De jaren twintig zijn verdomd ver weg.