Oud scenario voor Koeweit komt terug

Ex-leiders en politici van het tweede en zoveelste plan verdringen zich in het paleis van de man over wie de internationale banvloek is uitgesproken. Die man, Saddam Hussein, heeft het belangrijkste beginsel geschonden van de naoorlogse constellatie. De Iraakse president heeft zijn strijdkrachten bevolen een internationale grens te overschrijden en vervolgens heeft hij het soevereine emiraat Koeweit, volwaardig lid van de Verenigde Naties, ingelijfd. Van zelfverdediging was geen sprake, het kleine Koeweit vormde in geen enkel opzicht een bedreiging voor Irak, verreweg de sterkste staat in de Arabische regio. Zelfs maar de schijn van een uitnodiging van een zittend regime kon niet worden opgehouden.

Sinds 1945 zijn er slechts twee precedenten, Iraks eigen mislukte invasie van Iran in 1980 en Argentinie's tijdelijke verovering van de Falkland eilanden in 1982. Zelfs Israels verovering en blijvende bezetting in en na de juni-oorlog van 1967 van Arabisch gebied en de annexatie van Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte kunnen niet als zodanig worden gekarakteriseerd. Evenmin de Sovjetinval in Afghanistan in 1979 en de Vietnamese bezetting van Cambodja in datzelfde jaar. De Iraakse leider zou nog kunnen verwijzen naar de inlijving van de Portugese kolonie Goa door India (1961) en van de voormalige Portugese kolonie Oost-Timor door Indonesie (1975). Ten slotte beroept hij zich erop te hebben willen afrekenen met een door koloniale heersers achtergelaten structuur. Maar totdusver heeft Saddam Hussein zich weinig gelegen laten liggen aan volkenrechtelijke subtiliteiten.

De legalistische benadering van diplomatieke vraagstukken is niet de benadering van de Iraakse president. Zijn aanval op Iran en zijn poging het Arabische zuidwesten van dat land te annexeren rechtvaardigde hij destijds door het grensverdrag dat Irak enkele jaren eerder met de sjah had gesloten achteraf een Perzisch dictaat te noemen. In augustus jongstleden vormde een grensgeschil het alibi om geheel Koeweit van de kaart te vegen. Logisch dat de volkerengemeenschap het herstel van de status quo ante eist. Saddam Hussein moet duidelijk worden gemaakt dat hij zich buiten de internationale orde heeft geplaatst.

Maar er is nog een andere orde in het spel, de broederlijke Arabische. Daaraan herinnerde dit weekeinde de Saoedische minister van defensie, prins Sultan Ibn Abdulaziz. De bewindsman suggereerde zijn broeder de emir van Koeweit met zoveel woorden om enig grondgebied af te staan aan de 'Arabische natie', c.q. aan broeder Saddam Hussein (in een gezelschap van Arabische journalisten). Hier fungeert de Arabische natie als tussenpersoon in een transactie met gesloten beurzen: de een staat wat af, de ander krijgt er wat bij, maar voor de 'Arabische natie' verandert er niets en voor degene die wat afstaat ook niet, op de keper beschouwd. Vanzelfsprekend bleek de prins vervolgens verkeerd te zijn geciteerd, maar niet zo verkeerd of koning Fahd kon een paar dagen later zelf verklaren dat Saddam Hussein geen gezichtsverlies behoefde te lijden als hij zijn 'blunder' zou goed maken. Met andere woorden, als hij zich uit Koeweit mocht terugtrekken, wacht hem in Bagdad een present.

De aanvankelijke neutrale houding van de Verenigde Staten met betrekking tot de problemen tussen Irak en Koeweit wordt langzamerhand begrijpelijk. De emir blijkt de tekens niet te hebben willen lezen. Een zoetgevooisd scenario voorzag in een zekere verhoging van de olieprijs teneinde de onberekenbare bankroetier van Bagdad ter wille te zijn. Achter de schermen werd begrepen dat de zaak hiermee niet was afgekocht. Iraks interesse voor het olieveld in het Koeweitse grensgebied en voor twee strategisch gelegen eilanden kon niet worden genegeerd. Het scenario ging uit van volgzame Koeweiti's, van ouds voorzien van een goed ontwikkeld zakelijk instinct.

Had het verarmde Irak niet een zeker recht op goede maritieme verbindingen en op extra voorraden en was het emiraat niet rijk genoeg om de 'Arabische natie', en dus Irak, ter wille te zijn? Maar tijdens de laatste besprekingen in Saoedi-Arabie bleek de emir onbuigzaam. Hij meende dat hij broeder Saddam Hussein in diens ongelukkige oorlog met Iran voldoende had geholpen. Het onverwachte gebeurde, op Irak na was de broederschap onvoorbereid.

Koeweits weigerachtigheid zich 'Arabisch' te gedragen leidde tot de inval van Irak en tot de Iraakse bedreiging van de rijke olievelden in het noordoosten van Saoedi-Arabie. Een nieuw scenario werd noodzakelijk, dat van de handhaving van het volkenrecht en van de bescherming van de wereldolievoorraad waarvan zoveel afhankelijk is. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nam een reeks veroordelende resoluties aan en vaardigde embargo's uit. De Verenigde Staten schoten de Saoedi's met een aanzienlijke strijdmacht te hulp, vele andere landen zonden schepen, vliegtuigen en troepen. Maar nu het gevaar voor het koninkrijk is geweken en de mogelijkheid van een militair ingrijpen in Koeweit reeel is, komt het oude scenario weer terug op tafel, zoals een Amerikaanse onderminister al vroeg in de crisis voorzag.

Niet langer valt te ontkennen dat er ruimte ontstaat tussen de zienswijze van de Saoedi's en van de Amerikaanse president. Bush vergeleek de Iraakse dictator deze week nog eens met Hitler. Koning Fahd wil de man gezichtsverlies besparen. Zouden zij ieder een andere persoon voor zich hebben? De dalende olieprijs en de queue voor de deur van Saddam Hussein zijn tekens aan de wand.