Oost-Europa staat voor krachtproef: de grote privatisering

ROTTERDAM, 25 okt. De meeste Oosteuropese landen hebben de afgelopen maanden een wettelijk kader geschapen voor de privatisering van de centraal geleide economie en zijn begonnen met de 'kleine' privatisering: de verkoop van staatswinkels en de oprichting van kleine particuliere bedrijven. In Polen en Joegoslavie is ook het geld gesaneerd, de munt convertibel gemaakt en zijn de prijzen in overeenstemming gebracht met de werkelijke schaarste. De inflatie is er bedwongen. De grote krachtproef begint nu pas: de onttakeling van de mammoetbedrijven, de grote staatsmonopolies. Daar scheiden zich in Oost-Europa de wegen: het tempo loopt als gevolg van praktische en psychologische belemmeringen sterk uiteen. Hieronder het tweede en laatste deel van een korte serie over de privatisering in Oost-Europa.

HONGARIJE

In Hongarije draagt de prive-sector al vijftien procent bij aan het bruto nationaal produkt een record voor Oost-Europa, een resultaat van het begin dat nog onder het socialisme is gemaakt met de kleine privatisering. In 1994, zo heeft premier Jozsef Antall eerder deze maand gezegd, moet zestig procent van de staatseconomie in privehanden zijn. Ook in Hongarije heeft het debat over het tempo van de liberaliseringen maandenlang geduurd. Eind vorig jaar, toen het debat al maanden aan de gang was, was nog maar 100 miljard forint aan staatsbezit omgezet in aandelen, vier procent van het totaal, en die aandelen zijn vooral terechtgekomen bij andere staatsbedrijven.

Inmiddels is een pakket van twintig staatsbedrijven waarbij de hotelketen Danubius en het warenhuis Centrum voor privatisering geselecteerd; ze komen samen neer op een procent van het staatsbezit en ze worden verkocht via de aandelenbeurs die inmiddels in Boedapest opereert een 'babybeurs', voorlopig. In 1991 volgt dan een versnelling. Nog veel is echter onduidelijk. Het buitenland bijvoorbeeld mag geen deel hebben aan de kleine privatisering, maar waar het geld dan vandaan moet komen is een open vraag. De belangrijkste regeringspartij, het Hongaars Democratisch Forum, heeft zich in het verleden gekeerd tegen de 'spontane' privatisering (een infusie van buitenlands kapitaal in staatsbedrijven), hoewel die volgens economen heel respectabel is en Hongarije waarschijnlijk niet zonder kan. Bovendien heeft het rechts-conservatieve Forum de verkiezingen gewonnen op een langzamerhand heel moeilijk vol te houden 'egalitaristisch' credo, dat een drastische bekering tot de wetten van de vrije markt bemoeilijkt: de overtuiging ontbreekt.

ROEMENIERoemenie heeft zich, ook al na maanden van aarzeling en debat, net als Polen en Tsjechoslowakije tot een big bang-scenario in het hervormingsproces bekeerd. Dat lijkt enerzijds vooral het resultaat van de volledige ineenstorting van de Roemeense economie en anderzijds van de pleidooien van mensen als Mugur Isarescu, directeur van de nationale bank. Hij ging ruim een half jaar geleden, toen nog voorstander van een geleidelijke aanpak, naar de VS om Roemenie bij Wereldbank en IMF te vertegenwoordigen en kwam terug als een overtuigd aanhanger van de shocktherapie. Binnen enkele maanden moet Boekarest een beurs krijgen en moet de City worden heropend, de vooroorlogse Boekarestse Wall Street waar ooit tweehonderd banken waren gevestigd.

Inmiddels heeft ook premier Petre Roman gekozen voor de big bang, en voor de staatssector in de economie betekent dat de privatisering van de helft van het staatsbezit binnen drie jaar. Ook in Roemenie wordt, bij gebrek aan spaargeld, met vouchers gewerkt. Elke meerderjarige krijgt voor 5.000 lei (250 dollar) vouchers die pas na een jaar kunnen worden verhandeld. Onduidelijk is wanneer dat gebeurt. Eerst zullen de grote staatsmonopolies moeten worden opgedeeld en moet de waarde van de bedrijven worden vastgesteld. Het parlement moet zich nog over de plannen uitspreken.

De economische malaise dwingt Roemenie tot een radicale aanpak. De arbeidsproduktiviteit is spectaculair gedaald en inmiddels zijn binnen drie maanden achthonderd bedrijven op de fles gegaan. Alleen snelle en drastische actie, zo zei vorige week een Amerikaanse hoogleraar, kan 'de economische kanker' waaraan Roemenie lijdt, genezen.

De kleine privatisering heeft in Roemenie de afgelopen maanden een grote vlucht genomen: eind juli waren al 51.000 verzoeken om een vergunning voor de oprichting van een eigen bedrijf binnengekomen en 32.000 vergunningen afgegeven. In driekwart van de gevallen ging het om winkels en restaurants bloemenwinkels heeft Boekarest inmiddels genoeg.

Het klimaat is echter in Roemenie ongunstiger dan elders: nieuwe ondernemers zijn door de enorme schaarste aan consumptiegoederen nogal eens aangewezen op de zwarte markt, hetgeen leidt tot boze beschuldigingen over prijsopdrijving en louche gedrag. Terwijl grote ondernemers geen krediet kunnen krijgen, omdat niemand in Roemenie de afgelopen 45 jaar heeft leren omgaan met grote bedragen, worden kleine ondernemers nogal eens afgeschilderd als speculanten en zwarthandelaars die prijzen opdrijven tot ver boven een niveau dat fatsoenlijk kan heten.

Een kilo suiker kost 14 lei, verwerkt tot snoep kan het in de winkel 140 lei opbrengen en dat kan een handige winkelier een dagwinst van 50.000 lei opleveren. Dat moet, in een land waar de werknemer gemiddeld 2.500 lei per maand verdient, wel scheve ogen geven. Veel Roemenen associeren het woord privatisering met zwarte handel en speculatie.

Volgens de voorzitter van de Senaat, Alexandru Birladeanu, verlopen de plannen nog altijd te langzaam. Hij heeft voorgesteld op zo kort mogelijke termijn dertig procent van de staatsindustrie te verkopen; de opbrengst zou 50 miljard dollar bedragen. Dat zou volgens Birladeanu door de communisten van vroeger vergaard zwart geld in de economie terugspoelen: de op economische gronden legalisering van de diefstal van vroeger. Birladeanu was, voor hij uit de gratie raakte, een oud-medewerker van Ceausescu.

BULGARIJE

In Bulgarije, zo verkondigde premier Andrej Loekanov nog in januari, blijven 'voor de afzienbare termijn' de belangrijkste produktiemiddelen in staatshanden en wordt alleen in de landbouw geprivatiseerd. Een verder gaande privatisering, zo voegde minister van buitenlandse handel Christov daaraan toe, leidt tot 'chaos'.

Nu, driekwart jaar later, is Bulgarije verder weggezakt in de economische crisis en een volledige politieke impasse. De produktie is ingestort, de inflatie uit de hand gelopen, de binnenlandse markt vertoont vooral tekorten, de lonen zijn de pan uitgerezen, een economisch plan ontbreekt en het debat over de economie heeft door de politieke patstelling tussen de socialistische (ex-communistische) regering en de inmiddels uit het parlement weggelopen oppositie grote vertraging opgelopen. Wat er aan plannen bij de regering voorhanden is, is door een lid van de oppositie niet zonder reden omschreven als 'creatief infantilisme' al moet worden gezegd dat de bijdragen van de oppositie al evenmin uitblinken door volwassenheid.

Geen strategie dus, op het gebied van de privatisering. In het debat over zijn economische programma een oefening in algemeenheden heeft Loekanov toegegeven te weinig te hebben gedaan om de economie te privatiseren en te de-monopoliseren en om de privesector te stimuleren. Sindsdien rept hij van 'een wreed programma' dat nodig is door 'de wrede omstandigheden waarin Bulgarije voor zijn overleven moet vechten'.

Voorlopig wordt die 'wreedheid' echter niet in concrete actie vertaald, behalve misschien in het politie-optreden tegen de zwarte markt, het laatste toevluchtsoord voor de geplaagde Bulgaarse consument.

Als gevolg van het gebrek aan actie blijft de privatisering beperkt tot de landbouw, die al ten tijde van het socialisme op twaalf procent van de grond een kwart van de agrarische produktie oogstte zelfs veertig procent van het vlees kwam van de particuliere landbouw , de dienstensector en de detailhandel.

JOEGOSLAVIEHet succes van de federale regering van premier Ante Markovic op het gebied van de economie mag er zijn: een inflatie van 2.700 procent op jaarbasis is bedwongen, de dinar is convertibel en stabiel en de buitenlandse handel vertoont een rooskleurig beeld.

Maar ook in Joegoslavie wordt de privatisering de grote krachtproef. Joegoslavie kampt hierbij met een extra handicap, veroorzaakt door de ideologische vondst waarmee de Joegoslavische leider Tito ooit mede de breuk met Stalins Sovjet-Unie rechtvaardigde: indertijd, in de vroege jaren vijftig, heeft Tito het systeem van 'staatskapitalisme' zoals hij het systeem in het Oosten noemde, verruild voor dat van het arbeiderszelfbestuur. Bedrijven werden eigendom van en bestuurd door de werknemers.

Dat staat een snelle en door de overheid geleide privatisering nu in de weg. In Oost-Europa is de staat al dan niet formeel eigenaar van de produktiemiddelen en de staat kan aldus het tempo en de omvang van de privatisering van zijn eigen bezit bepalen. In Joegoslavie bezit de staat niets: de arbeiders zijn eigenaar en de overheid kan die eigenaar moeilijk tot privatiseren dwingen.

Privatiseren is niettemin de bedoeling: het systeem van arbeiderszelfbestuur heeft, zo weet men langzamerhand in alle deelrepublieken, Joegoslavie met zijn crisis opgezadeld en alom wordt beseft dat de mooie vondst van Josip Broz Tito tot het verleden behoort.

Niet alleen de onbestuurbaarheid vormt een handicap. Ook het gebrek aan geacumuleerd kapitaal, en aldus het gebrek aan investeringen, maakt privatiseren moeilijk, net als het nu al zeer grote aantal werklozen. Een deel van het leger werklozen wordt geabsorbeerd door de zich snel ontwikkelende kleine privatisering in de eerste helft van dit jaar werden ruim 24.000 particuliere bedrijven gesticht, waarvan 117 joint ventures maar algemeen wordt aangenomen dat het aantal werklozen in de loop van volgend jaar toeneemt.

De grote privatisering moet nog beginnen. Als de managers eenmaal, overtuigd door de overheid of door de economische resultaten van hun bedrijf, besluiten aandelen uit te geven, kunnen die door de gewone burgers worden gekocht met een korting van dertig procent op de nominale waarde. Werknemers hebben recht op een extra korting van een procent per dienstjaar. De omvang van het aandelenkapitaal is bepaald op maximaal drie keer de jaarlijkse loonsom.

Voorlopig gaat het langzaam: de managers kunnen vaak pas werkelijk worden overtuigd van de noodzaak tot privatiseren als de bedrijfsresultaten hun geen andere keus laten, en dan zit het bedrijf vaak al zover in de rode cijfers dat de animo voor aandelen gering is.

ALBANIEZelfs in Albanie, waar zich geen revolutie heeft voltrokken maar waar economische imperatieven toch beweging brengen in het economisch mechanisme, begint de privatisering een bescheiden rol te spelen in het openbare leven. Voorlopig is dat alleen het geval op het terrein van de kleine privatisering in landbouw en detailhandel.

Niet alles verloopt daarbij naar wens. Conservatieve ideologen slaan deze breuk met de heilige leer van wijlen Enver Hoxha met groot wantrouwen gade. En niet alleen zij: binnen de media ontbrandde vorige maand een heus debat naar aanleiding van de privatisering van enkele winkels, die werden overgenomen door partijleden. Konden echte communisten een winkel drijven, zo vroeg men zich af.

Ook het gedrag van de cooperatieve boeren, die sinds kort voor eigen rekening een stukje grond ter grootte van een fikse postzegel mogen bebouwen, baart zorgen. Veel boeren, zo klagen Albanese media, hebben zich met zoveel enthousiasme op die stukjes grond gegooid dat de produktie van de cooperaties is ingezakt. Omdat ze op hun eigen grond de verkeerde produkten bebouwen valt bovendien de opbrengst tegen en per saldo gaat iedereen er in inkomen op achteruit. Dat de boeren dat inkomen opkrikken door meloenen en komkommers van de cooperatie te stelen en die voor eigen rekening te verkopen maakt de eerste kennismaking met de markteconomie er niet plezieriger op.

Het zijn gewenningsproblemen. Voorlopig is de dapperheid verbaal groot: de media hebben het vrijwel dagelijks over zaken als de pluralistische markt, de inflatie die niet meer taboe is, het banksysteem dat er moet komen, kortom: de gemengde economie. En dat is al een levensgroot verschil met vroeger.