Kijkje in de keuken van de jonge Stalin

Het is een beetje morbide. Maar onvermijdelijk. Ben je in het Oostenrijkse stadjes Linz of Salzburg, dan moet je Braunau am Inn bezoeken. Zo is het dus ook onmogelijk om, als je toevallig toch in Georgie bent, niet in Gori langs te gaan.

Gori ligt ongeveer 75 kilometer ten westen van Tiblisi, de hoofdstad van Georgie. Daar werd hij volgens onze Gregoriaanse kalender op 21 december 1879 geboren: Josif (koosnaam Soso) Vissarionovitsj Dzoegasvhili. Als vierde en enige overgebleven kind van twee kort daarvoor bevrijde lijfeigenen, een dronken schoenlapper en een nijvere wasvrouw.

Zijn vader was vier jaar eerder uit een voorstadje van Tiblisi weggetrokken omdat hij in Gori een florerend bedrijfje dacht te kunnen beginnen. Maar dat mislukte totaal. Hij 'verproletariseerde' en moest zich verhuren aan een grotere schoenmakerij. Hij bleef niettemin zijn hele leven last houden van een 'door en door kleinburgerlijk bewustzijn', zou zijn zoon later schrijven. Het beetje geld dat hij verdiende, verdween volgens de geromantiseerde overlevering in de kroeg. Daar stierf hij uiteindelijk ook bij een vechtpartij aan de tap. En voor het overige sloeg hij zijn vrouw.

Josifs moeder was toen amper twintig, zorgde als wasvrouw bij de dames van de stad voor de kost en de huur van het minuscule huisje met twee kamers aan de rand van Gori (anderhalve roebel per maand) en lette ondertussen ook goed op de opvoeding van haar bijna aan de pokken bezweken laatste zoon. Omdat zij het wilde, ging de negenjarige Josif in de stad naar een priesterschooltje om Russisch te leren, een taal die zijn ouders niet machtig waren. Onder haar invloed verhuisde hij zes jaar later naar het seminarie in Tiblisi waar hij wederom tot de beste onder de leerlingen scheen te behoren.

Vanaf het moment dat hij in de metropool van Georgie woonde, begon het anders te lopen. Josif trad niet tot de kerk toe maar tot het marxisme. Eerst werden zijn nationalistische heldendichten nog geaccepteerd. Josif schreef ze onder het pseudoniem 'Koba' (de onbuigzame) en ze waren geinspireerd door de lokale dichter Sjota Roestaveli in Georgie was het verzet tegen het Russische imperialisme eind vorige eeuw intens en heftig. Hij was ook vroom. Een klasgenoot uit Gori kon zich veertig jaar later zelfs herinneren dat Josif, toen er in de stad drie rebellerende kleften uit de bergen aan de galg werden gevonnist en de jongens daar uit nieuwsgierigheid naar gingen kijken, naderhand de verwachting uitsprak dat ze niet ook nog eens door het vagevuur verzwolgen zouden worden omdat het 'onjuist zou zijn als God hen nog een keer zou straffen'. Maar op zijn twintigste was dat gemoed definitief voorbij en werd hij door de geestelijkheid van school gestuurd. Althans, dat is zijn eigen verhaal. Andere bronnen houden het er op dat hij in mei 1899 gewoon een paar keer was gezakt voor zijn examens.

Vijf jaar later werd hij nog even in Gori gesignaleerd. Maar dat was slechts om zich, na anderhalf jaar gevangenisstraf en een geslaagde vluchtpoging uit Siberische ballingschap, voor de tsaristische staatsveiligheidsdienst Ochrana schuil te houden. Koba was toen geheel geinvolveerd in de arbeidersstrijd die zich door de gehele Kaukasus begon uit te breiden. Negen jaar later zou hij zijn laatste 'alias' aannemen: Jozef Stalin.

In Gori weten ze nu niet meer precies wat ze aanmoeten met zijn erfenis. Op het centrale plein van het stadje, dat zowaar een beetje lijkt op het huidige Sparta in het hartje van het Griekse schiereiland Peleponnesos, staat nog altijd een standbeeld. Precies voor het gebouw van de communistische partij, de lokale 'sovjet' en het volks-controlecomite. Burgers uit Gori hebben het zeker vijftien meter hoge beeld een paar jaar geleden zelfs dag en nacht bewaakt omdat ze bang waren dat het in de glasnost zou sneuvelen. Het mausoleum dat in 1983 (!) om zijn geboortehuisje is gebouwd, is eveneens intact. Je kan er de keuken van het gezin-Dzoegashvili zien, met de divan, de tafel, de olielamp en de waterkan. Het parkje ervoor moet nog altijd de allure uitstralen van een oprijlaan naar een paleis, als ging het om de Tuilerieen van Gori. En de fontijn aan het begin van dit wandelpad is niet opgehouden met spuiten. Alleen het 'floodlight' uit de twee op de belendende gebouwen gemonteerde schijnwerpers brandt 's nachts niet meer.

Het museum dat in Gori aan Stalin was gewijd is daarentegen dicht. Uit de kamers van de stafmedewerkers klinkt leven. Door de ramen kun je op tafel een tas en een lege kop thee zien staan. Her en der speelt zelfs een kind of zit iemand achter zijn bureau de krant te lezen. De treinwagon waarin Stalin door het land reisde en die op het gras naast het gebouw is gerangeerd, is alleen van buiten te bekijken. Bij de ingang is een briefje opgehangen met een handgeschreven tekst: 'In verband met de competentie om de expositie opnieuw in te richten, wordt de ontvangst van bezoekers tijdelijk opgeschort.'

Dat is er ongeveer drie jaar geleden op last van de Georgische minister van cultuur gebeurd. De portier wil me desondanks wel even binnen laten om me het mozaiek van Stalin te laten zien. Het staat op een tafel in een nis. Met het licht van een aansteker is het te zien. Het blijkt niet louter sociaal-realistisch van toon te zijn. Het heeft misschien nog wel meer weg van een ikoon uit een kerk die in de jaren vijftig is ingericht.

Het is uiteraard vragen naar de bekende weg om te willen weten waarom het museum nu is gesloten. Maar suppoost Vaja Gourchenidze heeft er wel een oordeel over. Het is 'onjuist'. 'De geschiedenis is de geschiedenis, nietwaar?'