Kerken hebben in debat over moraliteit ook een functie

Dr. H. M. de Lange van de Raad van Kerken heeft de handschoen opgenomen en bespreekt het themanummer 'Godsdienst en criminaliteit' van het tijdschrift Justitiele Verkenningen (NRC Handelsblad, 16 oktober). Hij behandelt twee bijdragen uit het tijdschrift en beschouwt het voorwoord als een soort programmatische inleiding daarop. Hij verwijt 'de' auteurs begripsverwarring en gaf de moed bijna op 'omdat men zonder precieze definiering niet tot heldere beleidsadviezen kan komen'. Het is een terecht verwijt, althans indien we te maken zouden hebben met een beleidsmatig onderzoeksrapport. Dat is echter niet het geval.

De auteurs spreken voor zichzelf en het voorwoord vormt hooguit een soort smaakmaker: 'Hoe relevant zijn de Tien Geboden nog voor de (post)moderne samenleving?'

Toch valt het te waarderen dat uit de kerkelijke wereld wordt gereageerd op deze justitieel georienteerde uitgave. Want met de ontzuiling verdween niet alleen de 'disciplinerende' werking van het instituut kerk, maar naar het mij als overtuigd onkerkelijke toeschijnt ook de betrokkenheid van de kerkelijke instituties bij het probleem van de dagelijkse moraliteit. De kerken afgezien van Staphorst en Rolduc lijken zo geschrokken te zijn van het verwijt van moralisme en bemoeizucht, dat zij zich van de weeromstuit hebben teruggetrokken op vredesvraagstukken en de Derde-wereldproblematiek. De Lange onderschrijft mijn pleidooi voor een hernieuwde aandacht voor het moraalbegrip in de criminologie, maar het zou dan 'wetenschappelijk op een vernieuwde basis' moeten worden gesteld. Ik ben het helemaal met hem eens, en heb daartoe in mijn artikel dan ook een door hem niet onderkende bescheiden poging gedaan, na eerst de 'morele stand van zaken' te hebben geanalyseerd.

Stromingen

In Nederland hadden hadden de belangrijkste religieuze stromingen (en het socialisme) tot in de jaren zestig grote invloed op het dagelijks leven. De aangehangen denominatie was bepalend voor het kindertal, de keuze van hun idool, de opvattingen over de zeden, het denken over goed en kwaad en de keuze van de melkboer. In vijfentwintig jaar tijds is deze invloed weggevaagd (hoewel lokaal niet geheel en al verdwenen). Gelukkig wel, zou ik er aan willen toevoegen.

Mensen zijn in veel grotere mate dan voorheen in de gelegenheid hun leven vorm te geven naar eigen wensen, verlangens en ideeen. Deze secularisering kwam niet uit de lucht vallen, maar wortelt ideeel gesproken in de Verlichting, en lijkt als zodanig dan ook onomkeerbaar. Het rationalisme legde de basis voor de ontkerkelijking, die door de toegenomen welvaart mogelijk werd gemaakt. Moreel gesproken heeft het rationalisme echter weinig te bieden.

Geredeneerd uit het (straf)recht, is daarmee een eigenaardige situatie ontstaan. In het Wetboek van Strafrecht staat vermeld wat er niet mag, maar er staat niet bij waarom het niet mag. Die legitimerende functie kon goeddeels worden overgelaten aan de sociale rol van de zuilen. Het strafrecht kon gebruik maken van hun 'disciplinerende' religieuze appel om zich 'vrijwillig te onderwerpen' aan kerkelijke en wereldlijke normen. In de plaats van een min of meer eenduidige moraal over de vraag hoe men zich ten opzichte van anderen diende te gedragen, kwam een gefragmenteerde of versplinterde moraal.

Kleine groepen, netwerken of individuen sprokkelen hun eigen moraliteit bijeen: een beetje christendom, een beetje humanisme, een beetje radicalisme, een beetje consumentisme, noem ze maar op. Morele vragen zijn op zichzelf komen te staan, ze worden contextueel in plaats van ideologisch, dat wil zeggen als onderdeel van grote levensbeschouwingen, geconstrueerd.

Het (straf)recht is dus steeds meer tegenover een allegaartje van moraliteiten komen te staan, hetgeen overigens iets anders is dan een moreel vacuum, waar een populaire term als normvervaging naar verwijst. De legitimering van het (straf)recht wordt een steeds ingewikkelder probleem. Daarbij is er veelal gekozen voor 'technische' oplossingen: nog meer regels en wetten, meer controle, meer sloten op de deur, meer politie, een meer uniforme rechtspleging en dergelijke. Vanzelfsprekende en wellicht noodzakelijke reacties, waarbij echter het eigenlijke probleem wordt omzeild, namelijk de gespannen verhouding tussen algemeen geldend (straf)recht en morele pluriformiteit.

Morele consensus

Een moeilijk probleem kent geen simpele oplossingen, hoewel zelfs de PvdA dit momenteel lijkt te suggereren. Een massaal geleefde eenduidige moraal die norm, legitimatie en handeling omvat (zoals in de kerkelijke normering het geval was) keert niet terug. Dat is een vruchteloze conservatieve weg. En een 'logische' oplossing als 'meer repressie' vormt hiervoor een weinig aantrekkelijk alternatief.

In de plaats daarvan pleit ik ervoor oog te hebben voor de morele consensus die zich hier en daar en zo nu en dan ontwikkelt. De vrouwenbeweging heeft hier bij voorbeeld aan bijgedragen in de aandacht voor (seksuele) mishandeling. Meer in het algemeen acht ik de in twintig jaar opgekomen aandacht voor het slachtoffer van misdrijven een belangwekkende morele ontwikkeling. Concreet individueel leed vormt een solidariserende algemene noemer. En nog algemener gesteld is het van belang dat er meer woorden besteed worden aan de morele kanten van gedrag en van de reactie daarop. Gedrag dat dan soms meer en soms minder terecht als crimineel beschouwd kan worden. In een dergelijk moreel debat hebben ook de kerken een functie, niet in het kader van een soort herzuiling, wel omdat zij zich baseren op een van de morele bronnen van onze cultuur.

    • Hans Boutellier