Israel en de vrijheid van meningsuiting

Mijn column van vorige week, Israelisch zelfbedrog, heeft een stroom van reacties veroorzaakt. Een representatief deel daarvan is inmiddels in deze krant afgedrukt.

Blijkbaar geeft mijn stuk aanleiding tot ernstige misverstanden. De indruk is kennelijk gevestigd als zou ik de Israelische media en zelfs de joodse journalistiek over een kam scheren en gelijkelijk beschuldigen van vooringenomenheid en zelfcensuur.

Deze indruk verbaast mij. Ik heb, ondersteund met enige documentatie, gesteld dat 'van joodse journalisten', buiten Israel werkzaam, 'wordt verwacht' dat zij zelfcensuur in het belang van Israel toepassen, en eraan toegevoegd dat deze verwachting soms wel, soms niet wordt gehonoreerd. Voorts meen ik dat uit de context duidelijk kan zijn, dat 'de joodse journalisten' over wie ik iets verder spreek, alleen degenen zijn die ik eerder in mijn stuk met name noemde.

Mocht het niettemin zo zijn dat de tekst anders kan worden gelezen, dan spijt mij dat oprecht. Uiteraard heb ik nooit de bedoeling gehad over de joodse en de Israelische journalistiek generaliserende uitspraken te doen.

Strekking

De diverse feitelijke opmerkingen van mijn critici moet ik om redenen van plaatsruimte laten rusten. Soms betreft het juiste correcties, soms niet-relevante beschouwingen, en in beide gevallen wordt de strekking van mijn stuk niet aangetast.

Laat ik de strekking wel verduidelijken. Wat ik wenste en wens te verdedigen is de stelling, dat de politiek van de Israelische regering en de penibele situatie waarin de staat Israel intern en extern is komen te verkeren, een bedreiging vormen voor de vrijheid van meningsuiting in het algemeen en de persvrijheid in het bijzonder, welke bedreiging zich deels ook buiten de staat Israel doet voelen.

Ik acht dit een ernstige zaak, die bovendien Israel geen goed doet, reden waarom ik nogmaals op de kwestie terugkom en in het volgende een aantal voorbeelden zal noemen die mijn standpunt ondersteunen.

Vorige week noemde ik reeds de wereldconferentie van joodse journalisten die begin van dit jaar werd gehouden. Daar mijn critici daarover het zwijgen toe doen, vermeld ik uit het door mij genoemde verslag nog de mening van Gary Rosenblatt, redacteur van joodse kranten in Baltimore, Detroit en Atlanta. Redacteuren, zegt hij, vragen zich van tijd tot tijd af of ze kritisch kunnen schrijven over Israel en over de lokale joodse organisaties die tezamen de helft van de Amerikaanse joodse pers in eigendom hebben. 'I once heard an editor say that Pravda has more independence than Jewish newspapers, because at least in Pravda you will find from time to time a letter critical of the Communist Party. In some federation-newspapers, you would be hard pressed to find a critical letter about the federations, or about Israel.' (The Jerusalem Post, internationale editie, 27-1-90)

Deze pers is een van de pressiemiddelen van de machtige joodse lobby in Amerika. Vrijdag jongstleden vestigde Salomon Bouman er in deze krant de aandacht op dat Shamir zich nog steeds sterk voelt ten opzichte van de grote bondgenoot omdat hij vertrouwt op de invloed van de 'joodse stem' op de Amerikaanse politiek. 'George Bush moet aan zijn herverkiezing denken en zich rekenschap geven van het grote aantal kiesmannen dat staten met een grote joodse bevolking als New York en Californie naar de kiesraad sturen.'

Zeer onlangs kwamen nieuwe gegevens aan het licht. Joods-fundamentalistische gemeenschappen in Amerika en Israel vinden elkaar in The Jewish Press die met een oplage van 160.000 een mediamacht van betekenis is. Politici, inclusief Ronald Reagan, toonden en tonen hun ontzag voor de krant. Een medewerker is de beruchte rabbijn Meir Kahane. Voorts zijn er relaties met Ariel Sharon en andere omstreden Israelische leiders. (Robert Friedman, 'Making way for the Messiah', New York Review of Books, 11-10-90.)

Jerusalem Post

Begin van dit jaar kwam The Jerusalem Post, de enige grote Engelstalige krant van Israel, in de gevarenzone. Het blad had een nieuwe directie gekregen die deed vrezen dat, zoals twintig redacteuren in hun ontslagbrief schreven, het blad gedegradeerd zou worden tot 'een verlengstuk van de Israelische regeringspropaganda'. Zoals voorheen premier Begin, zo doet thans premier Shamir herhaaldelijk felle aanvallen op de Post. (Arie Kuiper, 'De teloorgang van de Jerusalem Post', De Tijd 12-1-90; zie ook NRC Handelsblad 3-1-90 en de Volkskrant van 4-1-90.)

De intifadah heeft de verhoudingen tussen pers en publiek in Israel gespannen gemaakt. Reeds drie maanden na het begin van de onlusten waren de media met vijandige gevoelens omgeven. Eddo Rosenthal in de Volkskrant van 27 februari 1988: 'Er gaat vrijwel geen dag voorbij of een minister, parlementslid of generaal spuit zijn onlustgevoelens over de rol van de media (...)'. En: 'Wie dezer dagen met een televisieploeg op stap gaat in Israel kan steevast rekenen op woedende reacties van burgers op straat.' Rosenthal vond een sticker op de achterruit van zijn auto met de tekst: 'Het volk is tegen een vijandige pers', met daarnaast een schild met een davidster, die wordt aangevallen door een slang met een microfoon.

Ook de staatstelevisie had het moeilijk. Tot het uitbreken van de intifadah had de televisie 'onder druk van de politici' vrijwel geen aandacht gegeven aan de toestand van de Palestijnse bevolking. In juni 1987 voor de intifadah dus werd bij uitzondering een documentaire uitgezonden waarin het naargeestige leven in de bezette gebieden realistisch werd uitgebeeld. Er volgden vele boze reacties en een verslaggeefster van het dagblad Ha'aretz voorspelde dat men een dergelijk experiment niet gauw zou durven herhalen. (De Volkskrant 17-6-87.)

Nederland

Einde februari 1988 vertoonde het NOS-journaal beelden uit een CBS-reportage die laten zien hoe Israelische soldaten bezig zijn de armen van enkele Palestijnse jongeren met stenen te breken. De NOS kreeg meer dan 800 telefonische reacties. Velen vonden dat de beelden niet hadden mogen worden uitgezonden. Sommigen vonden ze te schokkend, anderen 'te eenzijdig'. De Israelische televisie liet eveneens enkele beelden uit de film zien, maar de 'bottenbreekscene' werd niet uitgezonden. (NRC Handelsblad 27-2-88.)

Nederland heeft weer andere problemen. In 1987 ontstond in joodse kring grote onrust over het voornemen van een Theaterschool om een stuk van Fassbinder te vertonen: 'Het vuil, de stad en de dood'. Ik heb de strekking van het stuk alsook de vertoning ervan altijd verworpen (zie mijn column van 7 november 1985 waar de verhinderde opvoering in Frankfurt aan de orde komt en mijn column van 17 december 1987 over de Nederlandse plannen).

Leden van de joodse gemeenschap in ons land slaagden erin de opvoering door de Theaterschool te verhinderen. Tevens wist men te bereiken dat de uitgave van het stuk in drukvorm beperkt bleef tot duizend exemplaren, terwijl als verdere voorwaarde werd gesteld dat binnen tien jaar geen herdruk mocht plaatsvinden. Toen de Haagse Post de tekst wilde afdrukken, werd op de hoofdredactie druk uitgeoefend daarvan af te zien. Het plan tot uitzending van het stuk door de VPRO-radio werd beantwoord met het dreigement van een rechtzaak tegen de omroep. (De Volkskrant 24-11-87; NRC Handelsblad 27-11-87.)

Als gevolg van antisemitische activiteiten en een in scene gezette 'ontvoering' van en door de acteur Jules Croiset ontstond vervolgens grote opwinding die door de Nederlandse correspondente van het Israelische dagblad Ha'aretz werd toegeschreven aan 'een golf van antisemitisme'. In de Israelische pers verschenen felle artikelen en spotprenten tot de zeepbel door Croiset zelf werd doorgeprikt. (NRC Handelsblad 11-12-87.)

Een jaar later wendde dezelfde correspondente, mevrouw Henriette Boas, zich tegen de heer R. Naftaniel. In een interview had deze zijn mening gegeven over de ontwikkelingen in Israel. Daarop reageerde mevrouw Boas in de Volkskrant van 5 maart 1988 op de volgende wijze: 'Naftaniel heeft, als ieder ander, recht op zijn eigen mening over Israel. Maar als zijn mening sterk afwijkt van die van het merendeel van de Israelische regering moet hij of als directeur van het CIDI zijn mond houden, of de moed hebben om af te treden en een andere baan te zoeken.'

Ambassadeur

Ik laat het hierbij. De reeks voorvallen en uitspraken is uiteraard voor uitbreiding vatbaar. Ik heb niet systematisch verzameld, slechts nu en dan een bericht bewaard.

Niettemin meen ik dat met het bovenstaande mijn stelling voldoende is onderbouwd. Ik concludeer. Dat vele journalisten, in en buiten Israel, met kracht blijven opkomen voor vrijheid van meningsuiting in het algemeen en persvrijheid in het bijzonder, is gezien de situatie waarin Israel zich bevindt, bewonderenswaardig te noemen. Dat die journalisten onder druk staan van de Israelische regering en/of van een deel van de publieke opinie, lijkt mij op grond van de door mij gepresenteerde gegevens onweerlegbaar. Dat niet iedereen tegen die druk bestand is en dan tot enige vorm van zelfcensuur of nieuwskleuring komt, mag worden aangenomen. Het was daarop dat ik, naar aanleiding van een recente gebeurtenis, vorige week de aandacht wilde vestigen.

De brief van de ambassadeur van Israel in ons land, eergisteren in deze krant afgedrukt, bracht mij het interview in herinnering dat diezelfde krant in september 1982 met een van zijn voorgangers mocht hebben.

Het interview met ambassadeur Nechustan vond plaats zeer kort nadat bekend was geworden dat onder uiteindelijke verantwoordelijkheid van de Israelische autoriteiten door Libanese militiemannen massale moordpartijen waren aangericht onder Palestijnen in kampen bij Beiroet.

Vraag: 'Betekent het feit dat vele joodse organisaties in Nederland met protesten zijn gekomen, niet dat Israel ditmaal te ver is gegaan?'

Antwoord: 'Zij maken dezelfde beoordelingsfout ten opzichte van Israel als anderen begaan. (... ..) Zij ontlenen hun informatie allemaal aan kranten, de tv en de zeer deprimerende foto's. Dan slaken zij in het openbaar beschuldigingen. Dat is unfair.'

Vraag: 'Zou u zeggen dat de Nederlandse publieke opinie in dit geval als geheel verkeerd is voorgelicht?'

Antwoord: 'Daar kan geen twijfel over bestaan. De hele wereld is verkeerd voorgelicht.'