Duits cultureel expansionisme niet overal welkom

Het nog maar net verenigde Duitsland heeft nu al plannen gereed voor een cultureel offensief in Midden- en Oost-Europa. Dat bleek tijdens een symposium over Europees cultuurbeleid dat 3 en 4 oktober in Bonn werd gehouden. De organisatie was in handen van het 'Institut fur Auslandsbeziehungen' in Stuttgart, en het Duitse ministerie van buitenlandse zaken. Een verslag van de bijeenkomst verscheen in het officiele orgaan van het instituut, de 'Auslandskurier' (nr. 9/1990).

Centraal thema van de discussies was de culturele rol van Duitsland in Europa. Wie daarmee geen enkele moeite had was de staatssecretaris van buitenlandse zaken, Helmut Schaefer. Volgens hem heeft het verenigde Duitsland een bijzondere verantwoordelijkheid voor het tot stand komen van een nieuw Europa, en daartoe behoort de actieve deelneming aan een gemeenschappelijk Europees cultuurbeleid, met als doel een nieuwe culturele identiteit van Europa. Dat nieuwe Europa, aldus Schaefer, tekende zich al af in de Slotacte van Helsinki van 1975, met haar nadruk op mensenrechten en menselijke waardigheid, en op culturele en algemene maatschappelijke uitwisseling.

De Duitsers richten zich daarbij vooral op Midden- en Oost-Europa. Dit moet zelfs een van de zwaartepunten van het Duitse buitenlandse cultuurbeleid worden, waarbij ook een rol is weggelegd voor de Duitse scholen in het buitenland. De jeugduitwisseling, die in de naoorlogse betrekkingen vooral met Frankrijk, maar ook met Nederland en andere Westeuropese landen, van Duitse zijde sterk is gepousseerd, zal nu aanzienlijk worden uitgebreid naar Oost-Europa. Hetzelfde geldt voor uitwisseling op sportgebied. En ten slotte zal de Bondsregering zich bezighouden met de opleiding van aankomende Oost- en Middeneuropese leidende figuren in het openbare leven (Fuhrungskrafte).

Het ontbreekt Schaefer, of moeten we zeggen: het ministerie van buitenlandse zaken, want hij verving minister Genscher, niet aan zelfverzekerdheid. Hij wordt blijkbaar niet geplaagd door de vraag of Duitsland nog op een vroegere culturele positie in Midden-Europa aanspraak kan maken. Is de culturele schande waarin Duitsland zich in de nazitijd heeft gedompeld automatisch uitgewist door de hereniging? En is een land welks nieuwe bewoners de voormalige DDR-burgers in de diepste geestelijke verwarring verkeren wel geroepen tot culturele zending onder zijn Oosterburen? En, eigenlijk de belangrijkste vraag: willen die laatsten dat wel?

De Tsjechische schrijver en adviseur van Vaclav Havel, Alex Koenigsmark, was op dit punt zo duidelijk als maar mogelijk. De verdrijving van de Duitsers uit Bohemen na het einde van de Tweede Wereldoorlog, betekende behalve economische verarming en politiek een slecht geweten, ook het einde van de Duitse culturele beinvloeding van zijn land, een invloed die men sedertdien systematisch psychisch heeft verdrongen. Koenigsmark citeerde in dit verband Havel, die ergens gezegd heeft: '... daarom moeten we eerst de Duitse cultuur als een positieve factor in het Tsjechische bewustzijn herintroduceren, en daardoor deze innerlijke grenzen uit de weg ruimen, en pas dan kunnen we ons met de fysieke grenzen bezighouden'. Later zei Koenigsmark nog: 'We hoeven dan ook geen bruggen tussen West en Oost te bouwen. We hebben helemaal geen bruggen meer nodig. Want het enige dat we moeten overbruggen, is de verloren tijd der eenzaamheid. De veertig jaren van isolement'. Verder zei hij te geloven dat het Europa van morgen alleen nog maar uit regio's zal bestaan. Zijn hier weergegeven opmerkingen kan men moeilijk anders zien dan als een beleefde afwijzing van al te opdringerig Duits cultureel expansionisme.

De Poolse senator en hoogleraar literatuurgeschiedenis Jan Jozef Lipski hield een ietwat etherisch betoog, dat uitmondde in een pleidooi voor de oprichting van een algemene Europese 'braintrust', bestaande uit de meest competente kenners van de problemen van de Europese cultuur. Ook hij leek daarmee een centrale rol van Duitsland in Europa af te wijzen.

Op het symposium zijn vele andere zaken aan de orde gekomen. Zo heeft de Nederlandse deelnemer, Steve Austen, zich krachtig afgezet tegen een mogelijke Europese 'cultuurbureaucratie'. Vrijwel alle deelnemers, ook de Duitse, erkenden dat de kracht van de cultuur in ons werelddeel ligt in haar eenheid in verscheidenheid. En dat die dan ook alle bescherming verdient. Over de manier waarop is blijkbaar niet gesproken. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen dat die verscheidenheid aan permanente druk bloot staat. Dat geldt vooral voor kleine(re) cultuurgemeenschappen. Niet alleen verkeren die markttechnisch in een nadelige positie, zij lijden ook onder de culturele arrogantie van de groten.

Culturele verscheidenheid in Europa behoeft dan ook institutionele bescherming. Allereerst binnen de Europese Gemeenschap. In de verdragen van Rome dient het principe van de culturele autonomie van de samenstellende delen vastgelegd te worden, zoals dat in alle bestaande federatieve verbanden en de Europese Gemeenschap is een federatie in wording het geval is. Zie daarvoor onder meer de grondwetten van Duitsland, Zwitserland, Canada en Belgie. Bescherming van de autonomie der onderscheiden cultuurgemeenschappen, ook van de regionale, door middel van verdragsverplichting is de beste methode om de culturele verscheidenheid in de Europese Gemeenschap te vrijwaren, niet alleen van expansieve bemoeiingen van de groten, maar ook van de bemoeizucht in het culturele vlak van de Brusselse bureaucratie. En voor de culturele betrekkingen met en tussen de overige landen van Europa lijkt een confederale constructie, gebaseerd op een Europees Cultureel Handvest, in het kader van de Raad van Europa, de beste waarborgen te bieden voor bescherming van verscheidenheid, het wezensmerk van de Europese cultuur.

Hoe dringend nodig die institutionele voorzieningen zijn, wordt weer eens aangetoond door de hierboven vermelde aanmatigende Duitse plannen.