'Achterstand in onderhoud is deels schuld van de museazelf'

AMSTERDAM, 25 okt. Alleen met een nieuwe klimaatbeheersingsinstallatie kan het Rijksmuseum in Amsterdam haar collectie verantwoord behouden. De bestaande airconditioning voldoet niet meer. Dit is de uitkomst van een onderzoek dat de Rijksgebouwendienst de afgelopen maanden heeft uitgevoerd. Vervanging van de huidige installaties in depots en hoofdgebouw gaat twintig miljoen gulden kosten. Dat geld heeft het museum niet. Voorlopig zal alleen de Drucker-uitbouw, de vleugel voor negentiende-eeuwse kunst die helemaal nog geen airconditioning heeft, zo'n installatie krijgen. Dat gaat dertig miljoen kosten.

Dit zei de directeur beheer en behoud van het Rijksmuseum, de heer J. P. Filedt Kok gisteren tijdens de 'Najaarsmuseumdag' van de Nederlandse Museumvereniging, waarbij zowel de rijks- als niet-rijksmusea zijn aangesloten. Thema van de dag was het inhalen van de achterstand van de musea op het gebied van conservering en restauratie. Filet Kok gaf aan dat er meer problemen met het behoud van de ongeveer 50.000 kunstvoorwerpen in het Rijksmuseum zijn. Zo is de achterstand in onderhoud van voorwerpen van textiel zo groot (200 manjaren) dat hij zich afvroeg of het wel zinvol was om nogt met restauratie te beginnen.

Hij sneed daarmee het punt aan waarover op de Najaarsmuseumdag het meest gesproken werd: hoe de werken te selecteren waarin nog wel geld en energie voor het behoud gestoken moeten worden? Keuzes zijn onontbeerlijk omdat de achterstand in onderhoud (nu geschat op zo'n 500 miljoen voor de rijksmusea) groter is dan de middelen (WVC stelt daarvoor 40 miljoen ter beschikking in het kader van het Deltaplan voor cultuurbehoud). Dagvoorzitter R. de Haas (directeur Rijksdienst Beeldende Kunst) vond het 'eigenlijk een schande' dat de achterstand in cultuurbehoud zo ver was opgelopen. Die decennia lange verwaarlozing was voor een deel ook te wijten aan de 'gebrekkige professionele houding' van de museamedewerkers zelf, vond hij. 'Het is leuker en opwindender een tentoonstelling te maken, dan te zorgen dat de depots allemaal in orde zijn', zei De Haas, die gezien de slechte toestand zichzelf meer 'een begrafenisondernemer' voelde dan een dagvoorzitter.

Mevrouw C. van Rappard, medewerker stafbureau cultuurbehoud van de Rijksdienst Beeldende Kunst hield de ruim 250 bezoekers van de Najaarsmuseumdag in de Amsterdamse RAI voor dat de conservatoren van de musea wat rationeler te werk moeten gaan bij de selectie van hun collectie als het behoud betreft. 'Veel conservatoren beschouwen ieder object als hun eigen kind en ze willen niet dat er een keuze uit hun kinderen gemaakt wordt.'

Rationeler keuzes maken kon volgens haar met de selectiecriteria die WVC in het in het kader van het Deltaplan heeft opgesteld. Musea moeten uitmaken welk deel van hun collectie onmisbaar is (categorie A), niet onmisbaar maar wel relevant is (categorie B), en welke werken voor de collectie eigenlijk van minder of geen belang zijn (categorie C). Objecten in categorie C hoeven voor het museum niet behouden te blijven. Ze moeten in bruikleen worden gegeven of anderszins uit de collectie gehaald: door verkoop of vernietiging, om zo het behoud van de collectie beheersbaar te houden.

De adjunct-directeur van het Rijksmuseum Boerhaave in Leiden, S. Engelsman, was van mening dat conservatoren wel degelijk kritisch mogen kijken 'naar wat onze voorvaderen in onze rugzak hebben gestopt'. Lang niet altijd zijn collecties kritisch genoeg uitgebreid, was zijn ondervinding. Zijn museum heeft een plan opgesteld voor behoud van de collectie. Andere sprekers waren voorzichtiger in die opvatting. Filedt Kok van het Rijksmuseum benadrukte dat meningen over het belang van bepaalde collectie-onderdelen steeds wijzigen. De geschiedenis leert 'dat conservatoren steeds op het verkeerde moment de verkeerde voorwerpen hebben verkocht'. Als voorbeeld van zo'n veranderende opinie noemde hij de collectie negentiende eeuwse schilderijen van het Rijksmuseum, waarvan een groot deel lang in bruikleen was afgestaan. Na de restauratie van de Drucker-uitbouw, wil men veel van die minder belangrijk geachte schilderijen terughalen en op een nieuwe wijze presenteren, in drie rijen boven elkaar, als in een salon.

Minister d'Ancona van WVC bezocht later op de middag de Najaarsmuseumdag, die inmiddels was verplaatst naar het Rijksmuseum. Zij benadrukte haar betrokkenheid bij het Deltaplan voor cultuurbehoud en drukte de leden van de Museumvereniging op het hart de publieke belangstelling voor dit verscholen aspect van het museumbedrijf levende te houden. Dat kan ondermeer, meende zij, door exposities te organiseren waarbij restaurateurs aan het werk te zien zijn. Zij noemde als voorbeeld de expositie Wegens restauratie geopend die 3 november in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede begint. Zelf wil ze het probleem meer onder de aandacht brengen door brochures met vuistregels voor goed behoud uit te brengen. De minister onderkende dat het moeilijk is te selecteren wat wel en wat niet behouden moet blijven, maar 'als u dat niet doet beslist het natuurlijke, autonome afbraak proces wat er van ons erfgoed overblijft.' In de forumdiscussie die de Najaarsmuseumdag afsloot toonden de niet-rijksmusea zich bij monde van de directeur van de Stedelijke Musea Gouda, mevrouw N. Sluijter Seijffert uitermate somber over hun kansen om bij lagere overheden geld los te krijgen voor cultuurbehoud.