Universiteit zoekt ideale woonvormen voor gehandicapte; 'Voormeeste architecten is de wereld van gehandicapten als leven op andereplaneet'

ROTTERDAM, 24 okt. De meeste gezinsvervangende tehuizen zijn niet geschikt voor meervoudig gehandicapte kinderen en jongeren. Toch komen lichamelijk en verstandelijk gehandicapte jongeren steeds vaker in deze vorm van opvang terecht. Hun dagelijkse woonomgeving moet drastisch worden verbeterd.

Dat zegt drs. C. Blonk, orthopedagoog en directeur van een adviesbureau voor omgevingspsychologie in Overasselt. Hij houdt zich in het bijzonder bezig met de voorbereiding van nieuwbouwplannen in de gehandicaptenzorg. Zijn grote bezorgdheid over deze (voor de meeste kinderen onvrijwillige) vorm van wonen, heeft geleid tot een unieke wetenschappelijke proefneming vandaag en morgen op de landbouwuniversiteit in Wageningen.

Met medewerking van directie, hulpverleners en gehandicapte bewoners van het Haags Tyltylcentrum worden op ware grootte ontwerpen uitgeprobeerd voor een bad- en slaapkamer in het gezinsvervangend tehuis. Het Tyltylcentrum wil volgend jaar beginnen met de bouw van een nieuw internaat. Bij de proefneming draait het vooral om de vraag hoeveel vierkante meters minimaal nodig zijn en welke inrichting en apparatuur het meest geschikt is om het wassen en aankleden 's ochtends zo efficient en comfortabel mogelijk te laten verlopen.

Blonk zoekt in zijn werk steeds antwoord op de vraag wat er overblijft als het wonen voor mensen die zelf hun leven niet vorm kunnen geven. Een 'normaal' mens kan dat wel. Iedereen die zijn eigen huis binnenstapt, ziet daar uitingen van eigen beslissingen: de voorwerpen aan de muur, de inrichting, het meubilair. Maar aan de inrichting van gezinsvervangende tehuizen en instellingen is volgens Blonk onmiddellijk te zien dat het daar niet directom het wonen zelf gaat. Er is vooral rekening gehouden met de groepsleiding. Als voorbeeld noemt hij de tekstborden die in veel huizen aan de muren zijn te vinden, terwijl de meeste bewoners niet kunnen lezen.

Blonk begrijpt wel dat men uitgaat van het personeel, dat tenslotte elke dag weer voor de moeilijke klus staat. Toch moet het wonen voorop staan, vindt hij. Dan zal het afgelopen zijn met de grote zalen bij de ingang voor het parkeren van twaalf of meer rolstoelen. En met gemeenschappelijke ruimten tussen woonkamer en slaapkamer, gemakkelijk voor de groepsleiding, maar in tegenspraak met de behoefte aan privacy van de bewoner. Te vaak nog ziet Blonk lange rechte en brede gangen voor de rolstoelen, aluminium schopplaten op alle deuren. Men zou er volgens hem ook van uit kunnen gaan dat een paar deuren na enige tijd moeten worden vervangen of opnieuw geschilderd, wat goedkoper is en veel prettiger oogt.

Ondanks grotere aandacht voor de werkomgeving is de situatie voor verzorgenden allerminst ideaal. Zo vormen de sanitaire voorzieningen meestal een probleem, zegt Blonk. Er zijn te weinig hulpmiddelen en aanpassingen of de ruimte is domweg te klein. 'Een voorbeeld: in veel volgens de boekjes aangepaste wc's lukt het twee groepsleiders niet een gehandicapte jongere van bijvoorbeeld 16 jaar die toch al gauw zo'n 60 kilo weegt, uit zijn rolstoel op het toilet te helpen. Met zo'n veeleisende handeling is bij de inrichting geen rekening gehouden.', zegt Blonk. De hulpverlener maakt volgens hem geen gebruik van de moeilijk te bedienen til-liften. 'Dan toch maar even zelf tillen, met als gevolg langdurige rugklachten.' Hoog ziekteverzuim is een bekend gegeven in deze sector.

De kwaliteit van het wonen wordt ook bepaald door de manier van samenleven. Blonk: 'In de hulpverlening gaat men uit van groepen van 24 gehandicapten, die weer worden opgesplitst in twee, drie of vier kleinere. Leven met zoveel anderen tegelijk is erg moeilijk.' Het gaat er volgens hem om of de bewoner keuzes kan maken: wil ik alleen zijn, met een of twee anderen rustig iets doen, of in de groep zijn. De bewoner zou al die mogelijkheden moeten hebben, van strikt prive naar uitgebreid contact en andersom, vindt Blonk.

Het aantal speciale tehuizen er zijn er nog maar weinig voor meervoudig gehandicapte kinderen neemt toe, maar de overheid stimuleert dit niet. De kinderen moeten volgens de opvattingen van de beleidsambtenaren van WVC een zo gewoon mogelijk leven leiden. Daar lijkt niets op tegen. In de praktijk betekent het echter vaak niet meer dan dat van een rij geschakelde eengezinswoningen de tussenmuren worden gesloopt. Of dat in het gezinsvervangend tehuis of instelling voor dagopvang een, twee kamers worden vertimmerd voor kinderen die naast de verstandelijke ook een lichamelijke handicap hebben. Die aanpassingen zijn volgens Blonk niet voldoende om goede verzorging van deze groep te waarborgen. Hij vindt bovendien dat daarmee op de verkeerde manier wordt aangegeven dat wonen voor de ene groep iets heel anders is dan voor de andere.

De hulpverleners weten volgens Blonk over het algemeen zeer goed wat nodig is voor de gehandicapte kinderen. Toch worden ze nauwelijks ingeschakeld bij de nieuwbouw. Al te vaak blijft het bij overleg tussen architect, bestuur en soms de directie, aldus Blonk. 'Voor de meeste architecten is de wereld van gehandicapten als leven op een andere planeet. Bovendien weten zij vaak evenmin als de bestuursleden en directeuren waar de juiste spullen te krijgen zijn.'

Daar komen soms gekke maar bijzonder hinderlijke fouten uit voort: een fraaie spiegelwand aan het eind van de gang in een verblijf voor slechtzienden. De kinderen kunnen hierdoor niet bepalen in welke ruimte ze zich echt bevinden. Of sfeervolle en daardoor te zwakke verlichting voor deze kinderen in de huiskamer. Het geluidsniveau in de gemeenschappelijke ruimten bereikt door de combinatie van stemmen, radio's en apparaten soms een grens die de arbeidsinspectie onaanvaardbaar vindt.

Blonk: 'Als we iets maken om in te wonen en in de praktijk blijkt dat we de kinderen daar alleen maar willen bewaren dan hebben we het geld aan de verkeerde dingen uitgegeven.'

    • Harm van den Berg
    • Sigrid Devries