SER HEEFT WATERVREES VOOR VRIJE EG-MARKT

Brussel beeft sinds vorige week, want de SER van Madurodam heeft anderhalf jaar na dato grondig afwijzend geadviseerd op de dertiende concept EG-richtlijn over het openbaar bod op aandelen van ter beurze genoteerde ondernemingen. Het mag de pret niet drukken dat de Europese Commissie op 10 september al een gewijzigd voorstel van die richtlijn heeft gepubliceerd en dat de 'Europese SER', het Economische en Sociaal Comite (ESC), het gehele voorstel al heeft beschouwd.

De betrokken richtlijn regelt het openbare bod op aandelen van ondernemingen die aan de beurs zijn genoteerd. Het rechtsgebied van de richtlijn is aldus van eminent belang voor de gewenste vrije mededinging in Europees verband. De richtlijn beoogt nationale hindernissen voor deze vrije mededinging uit de weg te ruimen. Verder heeft de richtlijn tot doel de positie van minderheidsaandeelhouders te beschermen. De richtlijn verplicht een aandeelhouder die dertig procent van het aandelenkapitaal van de onderneming in handen heeft, een bod te doen op de nog uitstaande aandelen. Dit is de weergave van de bescherming die minderheidsaandeelhouders in Engeland al lang genieten maar in Nederland nog steeds moeten ontberen. Een minderheidsaandeelhouder kan ernstig benadeeld worden door de overheersende invloed van een groot-aandeelhouder. De groot-aandeelhouder kan bij voorbeeld bewerkstelligen dat er aanzienlijke afschrijvingen plaatshebben (ten laste van de winst) en aldus dividendbetaling illusoir maken, om vervolgens tegen een lage koers zijn zeggenschap op de beurs uit te breiden. Ook kan de groot-aandeelhouder de zeggenschap gebruiken (bij voorbeeld in houdstermaatschappijen) om gunstige transacties met zichzelf aan te gaan, die aldus het renderend vermogen van de onderneming remmen, ten detrimente van de minderheidsaandeelhouder.

Het is met bovenstaand advies als met de argumenten van een kind met vrees voor het diepe zwembad. Is het nu wijs om de argumenten te proberen te weerleggen, of om het kind maar aan de kant te laten zitten?

Om toch maar met het eerste te beginnen:

1. De Europese Commissie heeft een belangwekkende studie gemaakt van het fenomeen Europese Vennootschap, en zelfs een Europese basisvariant, de Societas Europeana (SE), ingesteld. Het ontbreekt de EG-commissie niet aan visie op dit punt. De Europese visie is alleen niet gelijk aan die van de SER. De Europese visie vindt grond in een internationaal kapitalistische en Angelsaksische beschouwing van de economie, de SER-visie is particulier, nationaal Nederlands en gebaseerd op de door consensus bepaalde sociale economie.

2. De SER miskent de rechten en belangen van minderheidsaandeelhouders. De SER staat immers een stelsel voor waarbinnen een partieel bod is toegestaan, en waarbinnen geen verschil is tussen een ter beurze genoteerde onderneming waarbij de overheersende zeggenschap in handen is van een groot-aandeelhouder, en eenzelfde onderneming met gespreid aandelenbezit. Dit is een gelijkschakeling van een meerpartijenstelsel met een partijstaat. Het stelsel van de SER miskent dat de onderneming redelijke verplichtingen heeft, juist ook jegens de minderheidsaandeelhouder, zoals in een democratie de meerderheid ook jegens de minderheid heeft.

3. De SER past bovendien impliciet een vertragingstechniek toe door aan te raden de regeling van de positie van minderheidsaandeelhouders aan de lidstaten over te laten. Een wet of andere regeling op dit punt kan nog jaren op zich laten wachten, terwijl ontwikkelingen tot op heden waren geremd in verband met toekomstige Europese regels.

4. De SER miskent dat het vennootschappelijk belang steeds wordt beperkt door de redelijke rechten van aandeelhouders. De Naamloze Vennootschap is een rechtspersoon met winstoogmerk. Het vennootschappelijk belang, een bijzonder vaag begrip, omvat echter in ieder geval de doelstelling met de beschikbare produktiemiddelen winst te genereren. Een overneming is in feite niets anders dan dat een andere partij bereid is de verantwoordelijkheid over de vennootschap over te nemen teneinde met dezelfde produktiemiddelen en/of door herschikking van die produktiemiddelen, een beter resultaat te bereiken. Deze andere partij is bereid daartoe een groot financieel risico te lopen.

Herplaatsing van produktiemiddelen en mogelijk daarmee gepaard gaande wijzigingen, ook op het personele vlak, dienen in een kapitalistische samenleving via het systeem van de vrije markt te geschieden. Het kapitalisme gaat uit van de onzichtbare sturende kracht van dit marktmechanisme. Het kapitalistisch systeem accepteert de micro-economische nadelen van dit sturend mechanisme op grond van de macro-economische voordelen die deze sturing brengt.

De SER beoogt dit vrije kapitalisme af te wijzen. Dit streven moet in het licht van de Europese omarming van het kapitalisme als sturend mechanisme als een op voorhand verloren strijd worden betiteld.

In aansluiting op het bovenstaande, de vraag of het niet beter is het kind, de SER, aan de waterkant te laten zitten. De SER heeft geadviseerd op een van de belangrijkste juridisch-economische maatregelen in Europees verband. Het advies is lang (44 bladzijden), maar inhoudelijk teleurstellend. Het advies is te laat, en door ontwikkelingen achterhaald. De toonzetting is ambtelijk ontwijkend en afwijzend. Het geeft geen blijk van vernieuwend of geinspireerd Europees mee-denken. Het is voor een vaardig jurist een kunstje van niets om een vooringenomen standpunt van argumenten te voorzien. Het heeft de schijn dat de SER zich aldus heeft laten bedienen. Dat heeft tot gevolg dat het rapport teleurstelt.

Op 1 januari 1993 zwemt heel Nederland in de Europese vrije markt. Dan vermaakt de SER zich waarschijnlijk nog in het pierebad. Is dat geen aansporing voor het kind met watervrees om alsnog te proberen mee te doen in de Europese zwemklas?

    • R. A. E. de Haze Winkelman