'PTT moet informeren over aftappen telefoon'

DEN HAAG, 24 okt. Als burgers willen weten of hun telefoon is afgeluisterd, moeten zij daarover van de PTT informatie krijgen. Daarvoor dient een wettelijke regeling te komen. Deze aanbeveling doet de Nationale Ombudsman aan minister Maij-Weggen, die verantwoordelijk is voor het telefoonverkeer.

De ombudsman, mr.drs. M. Oosting, vindt dat wanneer de telefoon niet is afgetapt, de PTT de abonnee die daar naar informeert dat moet vertellen. Is er wel afgeluisterd en dus het telefoongeheim geschonden dan zou de PTT de abonnee moeten verwijzen naar de instantie die daarvoor opdracht gaf. Volgens Oosting is zo'n regeling nodig omdat de Wet openbaarheid van bestuur niet meer op de PTT van toepassing is sinds het bedrijf in 1989 is geprivatiseerd. Daarmee is de positie van de burgers voor wat betreft hun recht op informatie verslechterd, constateert de ombudsman.

De Nationale Ombudsman is tot zijn aanbeveling gekomen naar aanleiding van de ervaring van een advocaat die tijdens een gerechtelijk vooronderzoek het vermoeden kreeg dat zijn telefoon werd afgeluisterd. Volgens de ombudsman kreeg de advocaat van de PTT ondanks herhaalde vragen van zijn kant geen adequaat antwoord. Pas nadat de ombudsman een aantal malen naar had geinformeerd, verklaarde de minister van verkeer en waterstaat dat de advocaat, noch zijn kantoor, noch zijn medewerkers waren afgeluisterd. Oosting wijst erop dat bij een wettelijke regeling voor informatie over het afluisteren de betrokkene de kans heeft rechtsmiddelen te gebruiken als hij vindt dat het telefoongeheim ten onrechte is geschonden.

Volgens het Tweede-Kamerlid Stoffelen (PvdA) vragen politiekorpsen tegenwoordig rechtstreeks bij de PTT geheime telefoonnummers op. In schriftelijke vragen aan minister Hirsch Ballin (justitie) herinnert het Kamerlid eraan dat dit in strijd is met wettelijke bepalingen. De PTT mag alleen in bepaalde gevallen worden gedwongen dergelijke informatie te geven en dan nog uitsluitend aan het Openbaar Ministerie.