NA DE CRISIS KOMT DE OLIEGOLF

Overleg producenten en verbruikers kan zorgen voor marktevenwicht

Opluchting bij economen en automobilisten: de olieprijzen duiken omlaag en benzine en diesel volgen. Nu een oorlog in de Golf even iets minder waarschijnlijk is geworden, leidt de psychologie van de oliemarkt tot spectaculaire prijsdalingen. Als de Golfcrisis echt is opgelost, dreigt een nieuw probleem: de overvloed van de olie.

Dat de stemming op de internationale oliemarkt net zo snel kan omslaan als het weer, blijkt uit de prijsdaling met meer dan tien dollar per vat in een week tijd. De prijs daalde nu nog in een sneller tempo dan waarmee ze voor de Golfcrisis steeg, terwijl Saddam Hussein Koeweit nog steeds bezet houdt en de olie-aanvoer naar het Westen nog erg krap is. Voor automobilisten is het goed nieuws: de prijzen van benzine en diesel gaan meteen met flinke sprongen omlaag.

Een paar dagen gewapende vrede zonder harde woordenwisselingen tussen Bagdad en Washington zijn genoeg om de handelaren tot de overtuiging te brengen dat de crisis binnen afzienbare tijd vreedzaam wordt opgelost. Suggesties van de Saoedische koning Fahd dat Saddam zich nu wel zonder al te veel gezichtsverlies uit Koeweit kan terugtrekken en van de Saoedische minister van defensie over een mogelijke grenscorrectie tussen Irak en Koeweit, zijn voer voor de oliehandel.

Economen reageren opgelucht, want een olieprijs van bijna 42 dollar die twee weken geleden nog op de termijnmarkten werd betaald, zou de economische groei na enige tijd fors aantasten en de inflatie opjagen. Als de prijs op veertig dollar zou blijven hangen, vlakte de economische groei in de zeven grootste industrielanden af van drie tot twee procent en stijgt de gemiddelde inflatie daar 3,9 tot 5,7 procent.

De huidige olieprijs reflecteert nog niet helemaal de verhouding tussen vraag en aanbod, maar komt dicht in de buurt ervan. Bij voortduring van de status quo in de Golf, een gewapende vrede met iets meer uitzicht op succes voor een diplomatieke oplossing, kunnen de Westerse landen de winter doorkomen door zuiniger met energie om te springen en door een bescheiden greep in de ruime voorraden te doen. Een strenge winter, het uitvallen van olie-installaties of stakingen kunnen nog roet in het eten gooien. Zo'n verstoring van het aanbod is op te lossen door het aanspreken van de strategische voorraden of andere noodgrepen van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), de club van olie-importerende industrielanden.

Schril contrast

Als het optimisme van de oliehandel gerechtvaardigd is en de olieprijs op een laag niveau blijft, doemt onmiddellijk een nieuw probleem op: een forse overproduktie. Over dat gevaar maken deskundigen zich nu al zorgen want als Saddam zich zonder geweld uit Koeweit terugtrekt, is hervatting van de olie-export uit Koeweit en Irak binnen afzienbare tijd te verwachten. Een herhaling van de dramatische prijsdaling van 1986 ligt dan op de loer, met alle risico's en gevaren vandien. Investeringen in duurdere, alternatieve energiebronnen komen dan opnieuw op losse schroeven te staan en het Westen blijft afhankelijk van het onstabiele Midden-Oosten.

Saoedi-Arabie, de grootste olie-exporteur ter wereld, heeft zich onder druk van president Bush tot het uiterste ingespannen om zijn produktie snel uit te breiden, van 5,3 miljoen vaten per dag voor de crisis tot 7,5 miljoen nu. De staatsoliemaatschappij Aramco werkt aan een verdere verhoging tot tien miljoen vaten. Koning Fahd toonde zich graag bereid de energiedorst van het Westen en Japan te lessen en ook nog te zorgen voor brandstof voor de Amerikaanse tanks en legerauto's in zijn woestijnen. Door de enorme financiele verplichtingen die het land is aangegaan met de operatie Desert Shield en om politieke redenen die verband houden met de gegroeide animositeit tussen de landen in Golfregio, is dat niet zomaar terug te draaien.

Ook Venezuela, de Verenigde Arabische Emiraten en Nigeria hebben de oliekrainen flink opengedraaid. En de Koeweitse regering wil straks, na terugkeer in het bevrijde emiraat, eveneens met een verhoogde export de markt op om geld te verdienen voor de wederopbouw en de defensie. 'In no time kun je te maken krijgen met een Opec-produktie van 27 miljoen vaten per dag. Er is beslist geen vraag in de markt die zo'n hoeveelheid kan absorberen', zegt dr. Herman Franssen, een gezaghebbende Nederlandse energiedeskundige die optreedt als adviseur van de regering van Oman. 'Opec (de organisatie van dertien olie exporterende landen - red.) krijgt te maken met een enorm managementprobleem.'

Opec moest een paar weken nadat Saddam Hussein Koeweit had overrompeld haar belangrijkste instrument - produktiebeperking - om de oliemarkt te beheersen, opbergen. Het internationale handelsembargo legde de olie-export van Irak en Koeweit lam. Saoedi-Arabie, Venezuela en de Emiraten drongen aan op een spoedvergadering die na enig getouwtrek eind augustus in Wenen werd gehouden. Het resultaat was dat de quota (maximum-hoeveelheden produktie per lidstaat) verdwenen.

Dat was een pijnlijke beslissing die een waterscheiding binnen de organisatie en binnen de Arabische wereld markeert want het betekende dat Saddam Hussein nog meer geisoleerd raakte. Hussein had tevoren gedreigd wraak te zullen nemen tegen landen die de wegvallende olie-export van Irak en Koeweit zouden compenseren door produktieverhoging. Dat zou een 'daad van agressie tegen Irak' betekenen.

Quota terug?

Wat moet er gebeuren als de Golfcrisis voorbij is en Koeweit en Irak weer met olie op de internationale markt komen? Volgens de afspraken van eind augustus moeten de quota dan weer in werking treden, maar het is zeer de vraag of Opec in staat is dat af te dwingen. Individuele lidstaten staan niet te trappelen om zich te matigen. Integendeel, ze hebben de afgelopen twaalf weken geprofiteerd van windfall profits, extra inkomsten die voortvloeiden uit een verhoogde produktie en een verdubbeling van de olieprijs.

En als Saddams avontuur mislukt, zullen Saoedi-Arabie, Venezuela en de Verenigde Emiraten de Iraakse machthebber niet plotseling tegemoet willen treden door hun grotere marktaandeel weer af te staan. Dat zou immers betekenen dat de overval op een broederland met alle gevolgen van dien met de mantel der liefde wordt bedekt. Opec heeft voor december weer een strategische vergadering op de agenda staan waarbij opnieuw alle leden, dus ook Irak en Koeweit, worden uitgenodigd. Het belooft een nieuwe test-case voor de organisatie te worden.

Als de Golfcrisis in december voorbij is, zijn ingrijpende maatregelen nodig om de olieproduktie te beheersen. In hun hart willen noch de producerende, noch de olieconsumerende landen dat de prijs net als in 1986 keldert door een veel te groot aanbod. Voor de olielanden met hun monocultuur dreigt dan een enorme verarming. Ze zijn voor hun inkomsten vrijwel geheel afhankelijk van de olie-export. Maar ook het Westen heeft twee belangrijke argumenten om dat te voorkomen:

1) De investeringen in de olielanden moeten op peil blijven om de toekomstige produktie te garanderen want de Westerse economieen drijven nog steeds op olie als brandstof. De Oeso-landen (de 24 rijke industrielanden) consumeerden vorig jaar 56 procent van alle geproduceerde olie, een stijging met een half procent ten opzichte van 1988. De investeringen in de olie-industrie in het Midden-Oosten zijn echter sterk achtergebleven.

2) Als de belastinginkomsten uit de verkoop van olieprodukten - en wat Nederland en een aantal andere landen betreft het staatsaandeel uit de aardgaswinning - kelderen, zijn de regeringen in grote zorgen. Het Westen wil intussen wel minder afhankelijk worden van het grillige Midden-Oosten. Energiebesparing en andere, duurdere bronnen kunnen daarbij helpen. Maar de Golfregio blijft ondanks alles nog decennia lang van eminent belang, omdat daar verreweg het grootste deel van de wereldreserves onder de woestijnen ligt.

Korte termijn

Het Internationaal Energie Agentschap schuift het probleem van een mogelijke overproduktie voorlopig voor zich uit. De organisatie houdt vooral de olievoorziening op de korte termijn in de gaten en voert uit wat de Westerse regeringen en Japan willen. 'Regeringen geven voorrang aan politieke doelstellingen die te maken hebben met het strategische belang van de olievoorziening, boven stabiliteit op de markt', zegt George Quincey Lumsden, directeur oliezaken van het IEA. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de Amerikaanse troepenmacht in Saoedi-Arabie. De oliereserves moeten beveiligd worden tegen agressie van Irak, maar de rest wordt aan de vrije markt overgelaten.

Een overleg tussen organisaties van producenten en verbruikers, respectievelijk Opec en IEA, om produktie en consumptie op langere termijn goed op elkaar af te stemmen, zoals de Iraanse olieminister Agazadeh in augustus voorstelde, wees IEA-directeur dr. Helga Steeg resoluut af. 'Wij hebben tegengestelde belangen', zei ze in een vraaggesprek in deze krant. Steeg verwacht dat Opec in zo'n overleg zal proberen de prijs op te drijven. Agazadeh wil met het overleg een stabiele markt met een geleidelijke prijsontwikkeling bewerkstelligen en krijgt nu voor dit voorstel steeds meer steun.

Herman Franssen, die jarenlang als econoom bij het IEA werkte, is zeer ontevreden met het standpunt van Steeg: 'Het IEA steekt de kop in het zand terwijl het als eerste zou moeten onderkennen dat je deze problemen niet alleen aan de markt kunt overlaten.' Hij vindt dat Nederland als kleinere lidstaat een goede positie heeft om een initiatief te nemen voor een overleg met Opec. 'Als dat binnen het IEA niet lukt, kan het binnen de Europese Gemeenschap, die al een overleg met de Golfstaten heeft over de import van (petro-)chemische produkten.'