Moeizaam overleg Politieke Unie EG; Hoofdsteden van EG gevente weinig aan in welke richting moet worden gewerkt

BRUSSEL, 24 okt. De afgelopen weken hebben persoonlijke vertegenwoordigers van de staats- en regeringsleiders van de twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap vergaderd om de standpunten van de verschillende landen over de Europese Politieke Unie (EPU) te inventariseren. Medio december wordt immers, samenvallend met de Europese top de intergouvernementele conferentie (IGC) over de EPU in Rome geopend. Die top zou moeten leiden tot een nieuwe structuur van de Gemeenschap en tot een aanvulling van het 'democratisch tekort' in de EG. Via uitbreiding en verandering van de Europese Akte de aanvulling op en wijziging van de EG-verdragen die ten grondslag ligt aan de markt zonder binnengrenzen van eind 1992 moet het fundament worden gelegd voor een Europese Gemeenschap die niet meer uitsluitend is gericht op de economische saamhorigheid van de lidstaten maar ook en vooral op de politieke.

In de meeste hoofdsteden, met name in die van de grote EG-landen, zijn de ideeen en standpunten over die Europese Politieke Unie nog helemaal niet uitgekristalliseerd. Een ingewijde: 'In Bonn, sinds de vereniging van de twee Duitslanden de volkrijkste lidstaat van de EG, weet men het niet. In Parijs, traditioneel de hoofdstad met de meest uitgesproken ideeen over de toekomst van de Europese Gemeenschap, al evenmin, en in Londen weet men alleen wat men niet wil, namelijk het inleveren van soevereiniteit.'

De fundamentele vraag die de lidstaten verdeelt en waarover tijdens de IGC naar verwachting de grootste conflicten zullen uitbreken is of de EPU vooral gericht moet zijn op de versterking van de intergouvernementele samenwerking, dus de onderlinge samenwerking tussen de onafhankelijke regeringen dat willen vooral Frankrijk en Groot-Brittannie of dat juist aan de communautaire instellingen de Europese Commissie, het Europese Parlement, de verschillende ministerraden meer macht moet worden gegeven. Daardoor zou bijvoorbeeld het Europese Parlement meer greep kunnen krijgen op het besluitvormingsproces en zou het wellicht het recht van initiatief kunnen verwerven.

In de huidige situatie doet de Europese Commissie een voorstel, het Europarlement geeft daarover een advies en wat de kwesties van de 'interne markt' van 1992 betreft volgt een samenwerkingsprocedure tussen Commissie, Europees Parlement en ministerraden. Uiteindelijk wordt het voorstel in al dan niet gewijzigde vorm naar de ministerraad gezonden, die een beslissing neemt. Als er echter een rechtstreekse dialoog zou komen tussen parlement en ministerraad, dan zou de Europese Commissie 'opzijgedrukt' worden, zoals een Brusselse diplomaat het uitdrukt.

De grote lidstaten pleiten voor de mogelijkheid om de Europese Raad, dat schimmige orgaan van staatshoofden en regeringsleiders van de EG-landen waarvan de bevoegdheden niet in de verdragstekst staan omschreven, te institutionaliseren. Tot dusver wordt, overeenkomstig de plechtige verklaring die in 1983 in Stuttgart is aangenomen, in artikel 2 van de Gemeenschappelijke bepalingen alleen vastgesteld dat de Europese Raad is samengesteld 'uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, alsmede de voorzitter van de Commissie' (...), dat de Raad wordt 'bijgestaan door de ministers van buitenlandse zaken en door een lid van de Commissie', en dat hij 'ten minste tweemaal per jaar' bijeenkomt.

De Europese Raad heeft zich sinds die tijd echter ontwikkeld tot een instantie 'waarvan de algemene politieke impuls uitgaat', tot een 'scheidsrechterlijke instantie' en zelfs tot een 'decision-maker inzake voor de toekomst van de Gemeenschap wezenlijke dossiers', zoals de groep van persoonlijke vertegenwoordigers het uitdrukt.

Sinds eind vorig jaar, toen de gebeurtenissen in Oost-Europa noopten tot extra overleg in het kader van de EG, wat tot uitdrukking kwam in het speciale werkdiner dat in november in het Elysee werd gehouden lijkt bovendien de praktijk post te vatten dat er per voorzitterschapsperiode van een halfjaar twee Europese topconferenties worden gehouden. Behalve de reguliere Europese Raad in juni werd ook eind april in Dublin vergaderd (speciaal over de Duitse vereniging) en ook tijdens het huidige Italiaanse voorzitterschap staan er twee topconferenties op de agenda, komend weekeinde en in december.

Tot dusver heeft de Europese Raad geen officiele beslissingsbevoegdheid, de bijeenkomsten worden alleen bekroond met 'conclusies van het voorzitterschap'. De voorstanders van institutionalisering van de Europese Raad willen nu dat de bevoegdheden van die conferenties uitvoerig beschreven worden. Zij menen dat de Europese Raad het 'ware centrum van de politieke macht op het hoogste niveau' binnen de EPU moet worden. Vooral Frankrijk streeft naar een dergelijk soort directorium van de EG, waarbij het Europese Parlement zou moeten worden omgevormd in een Congres, bestaande uit Europarlementariers plus leden van de nationale parlementen, dat alleen het recht zou hebben te ratificeren en verder alleen een consultatieve functie zou hebben.

Een land als Nederland is daar echter mordicus tegen, omdat daardoor de communautaire instellingen en dus de supranationale dimensie van de EG zouden worden gedegradeerd. Volgens Den Haag moet de IGC werken aan het uitbouwen van de Gemeenschap op zo'n manier dat de weg naar uiteindelijke federalisering niet wordt afgesloten. Nederland pleit daarom juist voor een versterking van de uitvoerende taak van de Europese Commissie. Het vindt wel dat het aantal Commissarissen (nu zeventien) teruggebracht zou moeten worden tot een per lidstaat, waarbij de grootte van de lidstaat niet tot uitdrukking zou hoeven te komen in het gewicht van de portefeuille. De Bondsrepubliek wil daar niet aan, omdat het het kiezen van de samenstelling van de Commissie wat nu al vaak een heksentoer blijkt te zijn zou bemoeilijken.

De federale structuur van de Bondsrepubliek levert Bonn sowieso al extra problemen op bij het denken over de Politieke Unie. De Lander (deelstaten) hebben nu eenmaal reele macht, macht die ook tot uitdrukking moet kunnen komen in de nieuwe institutionele structuur van de Europese Gemeenschap. Spanje en Frankrijk verzetten er zich echter heftig tegen om de samenstellende delen van hun land een rol te laten spelen, omdat dan meteen 'de Corsicanen, de Bretons, de Catalanen of de Basken op de stoep staan'. De Spanjaarden willen het staatsburgerschap daarom vervangen door een soort Europees burgerschap, waardoor ook het verblijfsrecht beter geregeld zou kunnen worden.

Al met al, zo is de indruk van de persoonlijke vertegenwoordigers, is de voortgang van hun overleg uiterst moeizaam geweest. Het document dat ze hebben geproduceerd is ook niet meer dan een waslijst van mogelijkheden en wensen, zonder dat er een samenhangende conclusie aan verbonden is. 'Dat kon ook niet anders', zo merkt een van hen op, 'er werd uit de hoofdsteden veel te weinig aangegeven in welke richting er gewerkt moest worden, er was te weinig 'leiding'. Bij de Europese Commissie leven er veel meer ideeen dan bij de lidstaten.'