Kemp is gestraft, maar waarvoor?

ROTTERDAM, 24 okt. 'Een behoorlijk pittige straf, maar de vraag is waarvoor precies?' Dat zegt de Amsterdamse milieu-officier van justitie mr. A. M. Fransen in een reactie op het vonnis van de Haagse rechtbank in de zaak-Kemp. De afvaltransporteur uit Hazerswoude werd gisteren veroordeeld tot viereneenhalf jaar gevangenisstraf en een boete van honderdvijftigduizend gulden wegens het illegaal storten van afval in Wallonie en Alphen aan den Rijn. 'Maar het is niet duidelijk wat de rechtbank het zwaarst heeft gewogen, het oplichten van zijn klanten, het ontduiken van de belasting of het vervuilen van het milieu, ' aldus Fransen.

Tegen Kemp was zes jaar geeist wegens een groot aantal misdrijven die tot doel hadden milieudelicten te verdoezelen. Het overtreden van de milieuwetgeving zelf was de afvaltransporteur echter niet ten laste gelegd, al is het hem door de rechter in het vonnis wel zwaar aangerekend. Dat kan leiden tot enige onzuiverheid, aldus milieu-officier Fransen. Hij vindt dat de aanklacht duidelijk moet weergeven waarom je iemand vervolgt, 'al lijkt dat in dit geval voor de verdachte irrelevant: die lapt toch alles aan zijn laars'.

De Haagse officier van justitie mr. M. Schelfhout lichtte twee weken geleden toe waarom ze Kemp geen delicten uit de milieuwetgeving, in dit geval de Wet Chemische Afvalstoffen en de Afvalstoffenwet, ten laste legde. 'Die wetten kennen een maximale gevangenisstraf van twee jaar voor de daarin opgenomen misdrijven, maar neemt men het milieu werkelijk serieus, dan dient de strafbedreiging veel hoger te zijn.' Als gevolg van dit lage strafmaximum is de verjaringstermijn bij deze wetten zes jaar, en dat is, stelde Schelfhout, 'veel te kort'. Zij pleitte voor een Wet algemene milieudelicten met een verjaringstermijn van twaalf of zelfs achttien jaar.

Milieu-officieren nemen hun toevlucht tot andere wetten, zoals het Wetboek van strafrecht. In de aanklacht, en de rechter honoreerde dit punt, werd Kemp beschuldigd van het overtreden van artikel 174 van dat Wetboek. Met dat artikel kan de levering van stoffen die voor de gezondheid of het leven schadelijk zijn, worden bestraft met een maximum vijftien jaar. 'Maar, ' zegt coordinerend milieu-officier mr. H. A. Fangman in Den Haag, 'als mr. Schelfhout de Wet chemische afvalstoffen had kunnen hanteren, en dat kon nu niet omdat veel feiten volgens die wet waren verjaard, dan had ze dat zeker gedaan.'

Behalve de tekortkomingen in de milieuwetgeving maakt de zaak-Kemp ook duidelijk dat justitie zich de laatste jaren minder aantrekt van bestuurlijke autoriteiten. Dat de Nederlandse overheid op de hoogte was van Kemps stortingen in Wallonie vond de rechtbank geen reden voor strafvermindering. Justitie is niet gebonden aan het gedoogbeleid van de overheid, aldus mr. Fransen. 'En dat is maar goed ook, want anders heeft de burger geen bescherming meer als een lokale wethouder schadelijke zaken toestaat.'

De rechtbank gaf Kemp wel strafvermindering omdat de aanhoudende publiciteit hem en zijn familie 'zwaar had getroffen'. Het openbaar ministerie 'is terughoudend met publiciteit' (mr. Fangman) maar gebruikt de pers soms juist doelbewust als strafmiddel. Fangman: 'Dat gebeurt met name als milieudelicten, die te zwaar zijn voor alleen een boete, worden afgedaan met een schikking. Daarbij kunnen de officier en de verdachte overeenkomen dat er een summier persbericht wordt uitgebracht.'

De gevangenisstraf van Kemp gisteren is de zwaarste die ooit in Nederland voor een milieu-delict werd uitgesproken. In 1982 kregen de directeuren van het afvalbedrijf Uniser in Moerdijk tweeeneenhalf jaar gevangenisstraf voor het illegaal storten van afval in het Hollands Diep en de Hollandsche IJssel. Maar daarna volgden diverse vrijspraken, onder meer in de zaak Verhoeven Oil dat in 1987 werd beschuldigd van het mengen van chemisch afval en olie. De zaak-Kemp maakt een ding duidelijk: justitie en politie nemen het milieu nu werkelijk serieus.