HET ONBENUL VAN LUBBERS

Afgelopen vrijdag bracht onbedoeld een nieuwe illustratie van het bedenkelijke niveau waarop vooraanstaande politici thans opereren. Opperbankier Duisenberg deed tijdens een vergadering van de Sociaal Economische Raad (SER) een boekje open over de belabberde vooruitzichten voor de overheidsfinancien. De nationale economie en de rijksbegroting dreigen de komende jaren te worden ontwricht door gestegen energieprijzen, de aanhoudend hoge rente, de lage dollarkoers en forse looneisen. Hierdoor dient de komende jaren vijftien tot twintig miljard gulden op de publieke uitgaven te worden bezuinigd, zonder dat het regeerakkoord duidelijk maakt hoe dit zou moeten gebeuren.

De reactie van premier Lubbers was eigenlijk te min voor woorden. Hij suggereerde dat Duisenberg onder invloed van de vallende bladeren ten prooi was gevallen aan een onschadelijke vorm van melancholie. Hoewel zijn woorden anders suggereren, is Lubbers geen onbenul. Hij weet drommels goed dat Duisenberg volkomen gelijk heeft. Beleidsmakers in Den Haag zijn al lang bezig met verkenningen voor de 'tussenbalans' van de openbare financien die het kabinet volgend voorjaar publiek zal maken.

Voorlopige exercities duiden op miljardengaten. De stemming onder de betrokken topambtenaren wisselt tussen cynische zwartgalligheid en onderkoeld geventileerde wanhoop. Dat heeft niets te maken met het jaargetijde en alles met de deplorabele perspectieven voor schatkist en sociale fondsen.

Meer lenen om de eindjes de komende jaren aan elkaar te knopen is een onbegaanbare weg. Niet alleen omdat het regeerakkoord deze optie uitsluit, maar ook omdat nog hoger oplopende rentelasten dan nu al worden voorzien, steeds meer andere uitgaven van de rijksbegroting zouden drukken, ten koste van de investeringen. Wat dan?

Naar de letter genomen biedt het regeerakkoord nog enige ruimte voor een verhoging van het heffingenpeil. Het extra geld kan worden gebruikt voor financiering van de omvangrijke tegenvallers. Aan lastenverzwaring kleven echter duidelijke nadelen. Hogere tarieven stimuleren tot belastingvlucht en het gebruik van de belastingbesparende constructies. Daarnaast vergroten tariefstijgingen de 'wig' tussen loonkosten en netto loon. Bij oplopende spanningen op de arbeidsmarkt zullen werknemers de hogere lasten afwentelen door aanvullende looneisen te stellen. Om hun personeel vast te houden zullen veel ondernemingen die eisen honoreren. Deze afloop zou haaks staan op het streven van het kabinet om te komen tot een zo gematigd mogelijk verloop van de loonkosten. Alleen in het laatste geval kan de aanval op de werkloosheid met succes worden voortgezet en blijft de koppeling van de uitkeringen aan de stijging van de CAO-lonen betaalbaar.

W anneer een hoger tekort en lastenverzwaringen niet in aanmerking komen, kunnen de openbare financien alleen op orde worden gebracht door miljardenbezuinigingen. Verder snijden in de overheidsinvesteringen is moeilijk. Het kabinet onderstreept voortdurend dat de investeringen juist omhoog moeten, om knelpunten in de infrastructuur weg te nemen en de milieuvervuiling aan te pakken. De uitgaven voor papier, benzine en andere aanschaffingen om het overheidsapparaat draaiende te houden bieden eveneens weinig rek, zeker nu de ministeries geen prijscompensatie krijgen voor 1990 en 1991. Alleen door budgettering van regelingen met een 'open einde' kan de uitgavengroei de komende tijd worden afgeremd. Zo hebben de gebudgetteerde universiteiten de afgelopen jaren een sterke toestroom van studenten verwerkt, zonder dat veel aanvullende middelen beschikbaar kwamen terwijl bij het op declaratiebasis gefinancierde basis- en voortgezet onderwijs omvangrijke uitgavenstijgingen optraden. Invoering van budgettering kost echter tijd en biedt dus onvoldoende soelaas.

Op de loonsom van het overheidspersoneel is in de jaren tachtig in verhouding sterk bezuinigd. Niet door het ambtenarencorps flink af te slanken, maar door bevriezing van de salarissen. Ook de pensioenpremies aan het ABP zijn gekortwiekt. Terwijl het aannemelijk is dat het overheidspersoneel in het midden van de jaren zeventig een salarisvoorsprong had op werknemers in bedrijven, is deze inmiddels in veel gevallen omgeslagen in een beloningachterstand, behalve voor ambtenaren in de laagste salarisschalen. Inmiddels is de positie van de overheid als werkgever op de arbeidsmarkt aangetast. Onder deze omstandigheden lijkt een hernieuwde bevriezing van de salarissen geen aantrekkelijke optie, nog daargelaten dat het regeerakkoord gematigde verhogingen van de CAO-lonen maatgevend noemt voor de ruimte ter verbetering van de ambtelijke arbeidsvoorwaarden.

W ie alle bezuinigingsmoge lijkheden langs loopt, komt onvermijdelijk uit bij de subsidies en sociale uitkeringen aan gezinnen. De helft van alle publieke uitgaven behoort tot deze categorie. Op zulke posten snoeien ligt politiek echter heel gevoelig, omdat de PvdA haar identiteit mede ontleent aan het massaal rondpompen van geld in de vaderlandse economie. Toch zullen de uitkeringen en subsidies niet ongeschonden blijven. Lubbers is erop uit deze levensgrote bedreiging voor de coalitie te bagatelliseren. Zijn gespeelde onbenul past in de financieel-economische struisvogelpolitiek waarvoor onmachtige politici in Den Haag tot nu toe kiezen.