Een en ander

Het moment lijkt nu gekomen, zo eindigde ik vorige week, dat iedereen druk bezig is zich af te vragen of we met de dooreenhutseling van alle waarden niet te ver zijn gegaan. Of we wel ongestraft het essentiele en de afwijkingen op een lijn stelden, het triviale voor minstens zo waardevol als, of zelfs waardevoller dan het hogere aanzagen.

We wentelden ons in experimenten met relaties en bleken er allerminst gelukkig mee. We moedigden de massacultuur aan en zitten nu opgescheept met de terreur ervan. We verklaarden geld, succes en zakelijkheid heilig en eindigden met het primaat van de economie.

De seksuele vrijheid en het televisie-amusement werden pseudo-religies, de financiele pagina en de beurskoersen pseudo-bijbels.

Geen wonder dat er, als er dan toch varianten op religies moesten bestaan, het probleem van de waarachtige religie opnieuw voor ons opdoemde.

Geen wonder dat, als we het dan toch niet zonder nabootsingen van heilige teksten konden stellen, de interesse voor het laatste woord weer werd blootgelegd.

Het triviale en het al-te-eenduidige ruimden langzaam maar zeker het veld voor een hernieuwd verlangen naar symbolen, naar een metafoor.

Het was een traag proces, want we zijn lui en verwend geworden. Er gaat nu eenmaal een zekere geruststelling uit van het lagere, en het hogere is vervuld van onrustbarendheid. Men weet wat men heeft en niet wat men krijgt, luidt de lievelingsleus van de welvarende mens.

Nu is gerustheid een mooi goed, maar ze rekte ook het bestaan van onze onverschilligheid. Voor onze creativiteit en vitaliteit bleek een spanning tussen het aardse en het hemelse onmisbaar. In tegenstelling tot wat de sociaal voelende ontluisteraars hoopten en verwachtten kwamen we er achter dat het doe-maar-gewoon de dood in de pot was. Dat het alles-moet-kunnen geen bergen verzette. Waar alles evenveel waard is lijkt uiteindelijk niets meer waardevol.

We manoeuvreerden ons zelf in een woestijn en stonden in die verlaten leegte oog in oog met de vergeten gewaande Medusa. Ze liet ons schrikken en tegelijkertijd verlamde ze ons. We beseften dat iemand ons vermaande, maar wisten niet hoe iets te ondernemen.

De rehabilitatie van het hogere had, hoe traag ook, niettemin onmiskenbaar plaats. Men stroomde van alle kanten, opvallend genoeg ook uit de hoek van de modieuze populisten en de nivelleerders van weleer, samen om naar lezingen over 'kwaliteit' te luisteren. 'Elite' werd een geuzennaam. Voor een jongere schrijversgeneratie waren begrippen als schuld en zelfbeperking en God niet langer taboe.

Niet de vanzelfsprekendheid van de oudtestamentische God, maar de hoe zal ik het zeggen de gewenstheid van iets dat als een God is.

Het oude, traditionele hogere zal wel nooit terugkeren, maar het gaat hier, zoveel is zeker, om meer dan om een nieuwe verpakking van ironie en cynisme. Het is niet langer voldoende om, zoals Cristo, een brug of een toren in te pakken en die zodoende tot iets hogers te verklaren, buiten menselijke waarneming en verwachtingspatronen. Er is een heuse worsteling gaande met ironie en cynisme, zonder dat iemand kan terugkeren naar de tijden van voor de verworvenheden van het moderne denken.

Waar sprake is van het lagere en het hogere heeft de bemiddelaar een rol. De Prometheus, de Hermes, de Christus die de band met het goddelijke tot stand brengen of die ons het goddelijke ten geschenke geven. Wat zeggen bemiddelaars ons nog? Zijn ze overbodig? En wat is precies het hogere van vandaag? Heeft het wel iets goddelijks? Bange vragen.

Zolang het niet om oude wijn in geprefabriceerde zakken gaat, maar om het zoeken naar een gloednieuwe recipient voor gistende wijn, zien we met argusogen uit naar de antwoorden.