De ware krachtproef in Oost-Europa moet nog beginnen; Woedeover de nomenklatoera, angst voor werkloosheid, nostalgie naar eerlijk delenvan de armoe

ROTTERDAM, 24 okt. De ware krachtproef moet in Oost-Europa nog komen: de privatisering van de grote staatsbedrijven, de monopolies van het socialisme. De eerste fase van de hervormingen is in de meeste landen afgesloten: vrijwel overal (Bulgarije is een uitzondering) zijn de plannen en strategieen voor economische hervormingen op langere termijn klaar, overal zijn de diverse vormen van eigendom (staats-, particulier, collectief) voor de wet gelijkgesteld, met hetzelfde recht op toegang tot kredieten en grondstoffen.

In Polen en Joegoslavie is de hyperinflatie bedwongen en zijn de zloty en de dinar convertibel gemaakt, in varierende mate zijn de prijzen geliberaliseerd, worden invoer en uitvoer vrijgelaten, zijn overheidssubsidies aan verlieslijdende bedrijven gestaakt of drastisch verminderd.

Nu komt de proef op de som. De kleine bedrijven zijn maar paddestoelen, ze zorgen voor enige opluchting in de dienstensector, ze vullen kleine gaten op de door schaarsten en tekorten gedomineerde markt en ze werken als een bescheiden motor voor de economie. De kleine privatisering en het opstellen van de plannen zijn te vergelijken met het egaliseren van een bouwterrein. Nu begint de bouw zelf. En daarbij is minder sprake van hoop dan van angst, onzekerheid en onmacht.

Daar is allereerst de angst voor de werkloosheid. De intrekking van staatssubsidies heeft nog nauwelijks geleid tot sluiting van bedrijven, maar er is wel driftig afgeslankt en het aantal werklozen is overal tot een maatschappelijk en politiek probleem van de eerste orde geworden: nog voor er een staatsmonopolie werkelijk is geprivatiseerd zitten al 900.000 Polen, 33.000 Bulgaren, 13.000 Tsjechoslowaken, 42.000 Hongaren, 120.000 (officieel) tot 300.000 Roemenen en 1,2 miljoen Joegoslaven zonder werk vaak met een minimale uitkering.

In Polen verwacht men per eind december 1,3 miljoen, in Hongarije 100.000 werklozen, het aantal werklozen in Roemenie loopt volgend jaar op tot een miljoen: een reservoir van gefrustreerden, een reservoir ook waarin de verslagen communisten, de populisten en de chauvinisten hun nieuwe aanhang vinden. In vrijwel alle Oosteuropese landen is het heftige debat over het tempo van de hervormingen vooral ingegeven door de vrees voor sociale onrust.

Een andere handicap is psychologisch van aard: het egalitarisme van vroeger, dat stokpaardje van het socialisme dat voornamelijk armoe te verdelen had en dat die nood tot deugd heeft verheven. Het heeft even geduurd, voordat na de revoluties van vorig jaar in brede kringen van de bevolking het besef geaccepteerd raakte dat de vrije markt loonverschillen inhield en dat wie hard werkte en intitiatief toonde meer verdiende.

Nog altijd is de nostalgie naar dat egalitarisme van vroeger groot. Maar armoe maakt realistisch. Zelfs in Roemenie, onder Ceausescu de kampioen bij de verdeling van armoe en misere, is het aantal voorstanders van privatisering van de staatseconomie inmiddels gestegen tot 67 procent van de bevolking en is het aantal tegenstanders gedaald tot zeventien procent. Maar nog altijd vindt 28 procent dat 's lands rijkdommen 'eerlijk' dat wil zeggen gelijk moeten worden verdeeld.

Overal in Oost-Europa heeft de ideologie van het socialisme diepe sporen nagelaten: het is wennen, de markteconomie, en de durf om in die markteconomie te stappen, om zelf iets te beginnen, om spaargeld te investeren, ontbreekt: men wacht liever af. Van de Roemenen wil inmiddels 47 procent liever in een privebedrijf werken dan in een staatsbedrijf, maar heeft 62 procent nog niet de moed zelf in zo'n privebedrijf te investeren, zelfs als men geld heeft.

Een ander aspect van de psychologische belemmering op de weg naar de privatisering is de woede over de oude socialistische nomenklatoera, de economische managers en planners van vroeger, die zich vrijwel overal in het Oosten hoogst bedrijvig hebben getoond toen het eind van de planeconomie onafwendbaar werd, door eigen bedrijven te stichten. Zij hadden een voorsprong, ze kenden de markt, ze wisten het nodige van produktietechnieken, ze hadden de connecties binnen een communistisch old boy network.

In Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije zijn de staatsbedrijven geplunderd door hun eigen managers: zij hebben, zelf of via stromannen, bedrijven opgericht die voor een schijntje de machines, de voorraden en de werknemers van de ten dode opgeschreven staatsbedrijven hebben overgenomen, een vorm van diefstal waartegen door de talrijke mazen in de wet niet of nauwelijks kon worden opgetreden. Bij een onderzoek in het Moravische district Hodonin in Tsjechoslowakije bleek in juli dat 130 van de 205 economische managers in het district vroeger lid zijn geweest van de communistische partij en dat ex-communisten alle touwtjes op economisch gebied in de regio in handen hadden.

Het heeft bij de rest van de bevolking tot kwaadheid en een roep om wraak, om onteigening zelfs, geleid. Het heeft de regeringen in Oost-Europa ook voor een moeilijk dilemma geplaatst: uit het oogpunt van rechtvaardigheid voelen ze zich gedwongen op te treden tegen de 'communistische mafia', de corrupte managers die hun vroegere privileges hebben gelegaliseerd en nu als succesvolle vrije ondernemers door het leven gaan, als de nieuwe rijken in een zee van paupers.

Tegelijkertijd weten die regeringen dat kennis, ervaring en competentie nu eenmaal vooral te vinden zijn bij diegenen die vroeger al economisch de dienst hebben uitgemaakt: die 130 managers van Hodonin zijn voorlopig niet te vervangen, er is geen kundig kader buiten dat netwerk van de oude nomenklatoera. De roep om rechtvaardigheid staat hier tegenover economische argumenten: een dilemma waar nog geen enkele Oosteuropese regering uit is.

Er zijn meer morele dilemma's. Overal in Oost-Europa speelt ook de aanspraak van voormalige eigenaars een rol: zij, de boeren van vroeger, de fabrikanten en winkeliers wier bedrijf ooit door het socialisme is genationaliseerd, vaak zonder compensatie, melden zich weer en eisen hun afgepakte bezittingen op. In Polen worden die aanspraken gehonoreerd ten koste van miljarden: een vroeger afgepakt lapje grond kan er omgerekend dertigduizend dollar opleveren, armen worden op slag rijk, maar de minister van financien zit met de problemen. In Hongarije heeft de regering de aanspraken van ooit door het socialisme beroofde boeren willen honoreren. Het Hooggerechtshof heeft daar een stokje voor gestoken, want waarom wel de boeren en niet de fabrikanten en winkeliers van vroeger? Helaas: voor compensatie van iedereen is geen geld.

Nog een hindernis: voor wie wordt eigenlijk geprivatiseerd? Dat privatisering nodig is, wordt algemeen erkend: zonder privatisering geen opbouw van een nieuwe economie, geen vrije concurrentie, geen vrije markt. Maar wie heeft na het bezuinigingsbeleid van de afgelopen jaren en na de inflatie van de afgelopen maanden geld om aandelen te kopen? De boekwaarde van de Hongaarse staatsindustrie wordt geschat op vijf keer de waarde van alle spaartegoeden en alle juwelen van alle Hongaren. En wie wil voor zijn zuur verdiende spaargeld aandelen kopen in bedrijven die met verouderde machines en achterhaalde technieken produkten maken die niemand wil kopen? Banken en pensioenfondsen zijn er niet. Buitenlanders dan, die geld, technologie en know how kunnen inbrengen en bedrijven kunnen saneren? Het is maar een beperkte mogelijkheid, want overal bestaan bij de bevolking grote reserves tegen 'een uitverkoop' van hun land.

Ook wettelijk bestaan belemmeringen. In het verleden was alles van niemand: de produktiemiddelen waren van 'het volk', dus eigenlijk van 'de staat', zonder dat die daar rond voor uitkwam. Voordat staatsbezit kan worden geprivatiseerd moet eerst worden vastgesteld wie de eigenaar is, wie de controle uitoefent, hoeveel het bezit waard is en wie de opbrengst krijgt. Bovendien is voor een succesvolle privatisering een markt nodig, een banksysteem, een stabiele munt, een kapitaalmarkt, een beurs.

POLEN

In vrijwel elk Oosteuropees land heeft zich het afgelopen jaar een vinnig debat ontwikkeld over het tempo van de privatisering. In Polen is in juli een privatiseringswet aangenomen die voorziet in de privatisering van tachtig procent van de industrie. Alle 7.600 staatsbedrijven komen in principe voor privatisering in aanmerking. De transformatie verloopt geleidelijk: van de grote bedrijven zal dit en volgend jaar hoogstens een vijftiental worden verkocht; bij de kleine ligt het tempo veel hoger. Alle burgers krijgen een voucher die in een later stadium wordt omgezet in een aandeel, zodat Polen zonder spaargeld 65 procent van de bevolking deel kunnen hebben aan de privatisering van het staatsbezit. Volgend jaar moet dertig procent van de waarde van honderd geselecteerde staatsbedrijven worden omgezet in vouchers.

Werknemers kunnen gezamenlijk twintig procent van de aandelen van hun bedrijven kopen, voor de halve prijs; het buitenlands aandeel wordt beperkt tot maximaal tien procent; voor meer is toestemming nodig. Het arbeiderszelfbestuur, ooit een van de belangrijkste programmapunten van Solidariteit, wordt in het kader van de privatisering vrijwel moeiteloos opgeofferd, in ruil voor de vooruitzichten op economische efficiency: liever winstgevende bedrijven zonder arbeidsinspraak dan verliesgevende bedrijven met arbeiderszelfbestuur, zo vindt men tegenwoordig op de werkvloer.

Een extra probleem bij de privatisering is dat grote monopolies, de vlaggeschepen van het socialisme met veel vertakkingen en duizenden werknemers, niet zomaar te privatiseren zijn en eerst moeten worden gesplitst in kleinere, onafhankelijke eenheden. Polen telt vooral grote bedrijven. Nergens in Oost-Europa is het aandeel van de privesector in het nationaal inkomen zo groot als in Polen twintig procent, tegen drie procent in Tsjechoslowakije maar dat komt vooral door de grote particuliere landbouw. In de industrie is de bijdrage van de privesector maar vier tot vijf procent.

Er zijn in feite geen particuliere fabrieken, afgezien van een handvol joint ventures. Bovendien bestaat een gemiddeld particulier bedrijf in Polen uit een eigenaar en een werknemer: er zijn 800.000 privebedrijven met 1,3 miljoen mensen, waarvan er alleen al in 1989 300.000 zijn gesticht: nieuwe bedrijfjes, maar ook staatswinkels die op veilingen aan particulieren zijn verkocht. Een middenklasse wordt geboren, maar met de ontmanteling van de grote monopolies moet nog een begin worden gemaakt.

TSJECHOSLOWAKIJE

In Tsjechoslowakije is begin september, na veel geruzie over het hoe, het hoe snel en het wat, een privatiseringswet van de grond getild. Kleine winkels, bedrijven en restaurants worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaars als die te vinden zijn. Waar dat niet kan krijgen eerst de werknemers en daarna buitenstaanders het recht ze over te nemen. De rest wordt op veilingen verkocht voor een uitroepprijs van de helft van de vastgestelde boekwaarde; als de belangstelling tegenvalt kan die uitroepprijs tot een kwart dalen.

Deze maand is een wet van kracht geworden die voorziet in de teruggave van tussen 1955 en 1962 onteigende molens, houtbedrijven, hotels, winkels en hotels 70.000 bedrijven in totaal aan ex-bezitters of hun erfgenamen. Een andere wet heeft betrekking op tussen 1948 en 1955 onteigende bedrijven. Volgens een onderzoek meent 44 procent van de volwassen Tsjechoslowaken aanspraak te kunnen maken op door de communisten afgepakte bezittingen en is van hen iets meer dan de helft van plan dat ook te doen.

Als elders verloopt de privatisering van grote bedrijven geleidelijker. Eind dit jaar selecteren regering en parlement samen bedrijven die in aanmerking komen voor directe overname door buitenlanders of voor joint ventures. Twintig procent van 'strategische' bedrijven blijft in staatsbezit. Eind januari 1991 wordt de rest van de aandelenbedrijven met voorlopig door de staat benoemde raden van bestuur verkocht aan buiten- of binnenlandse gegadigden, in het laatste geval voor 'investeringsvouchers', die burgers in staat stelt gratis of voor klein bedrag aandelen te kopen in bedrijven die concurrerend zijn. Net als in Polen moet een regeringsbureau buitenlandse investeringen overzien, concessies als leningen aanbieden en belastingvrije zones vaststellen.

In vergelijking met Polen is Tsjechoslowakije rijkelijk laat met het begin van het privatiseringsproces. De gelijkstelling van de diverse vormen van eigendom komt pas deze maand tot stand en de plannen beperkten zich tot voor kort vooral tot de 'kleine' privatisering. Jan Tauber, assistent van minister van financien Vaclav Klaus, stelde onlangs dat de privatisering door al het debat duurder uitvalt dan nodig was. 'We zouden veel beter af zijn geweest als het scenario in april of mei was aangenomen.' Morgen volgt het slot