TE VEEL EER VOOR SOREL

Het communisme heeft afgedaan en zijn standbeelden sneuvelen, maar heeft Marx nu ook als filosoof afgedaan? Dat kan ik me eigenlijk niet zo goed voorstellen, al was het maar omdat het werk van Marx zo bepalend is geweest voor hele generaties en scholen filosofen, sociologen en politicologen. Marx zit in de genen van de sociale wetenschappen en het politieke en sociale denken van de twintigste eeuw is vooral een discussie met Marx geweest. Dat verandert niet onmiddellijk, nu Marx praktisch en ideologisch zijn betekenis heeft verloren. In ieder geval zal kennis van de theorieen van Marx noodzakelijk blijven om de honderd jaar na zijn dood te kunnen begrijpen.

Van Georges Sorel bestaan geen standbeelden en ze zullen er ook wel niet meer komen. Al voor zijn dood in 1922 was hij een van die namen, die in de geschiedenis van de sociologie en politicologie verbonden blijven met een halfbegrepen idee en een nooit gelezen boek. 'Reflexions sur la violence' was bij verschijnen in 1908 een internationaal spraakmakend boek, waarin Sorel zijn geloof uitspreekt in de kracht van een autonome arbeidersbeweging, die zich op geen enkele wijze verbindt met de burgerij en ook niet verburgerlijkt. De arbeidersbeweging vindt zijn elan in het perspectief, de 'mythe' zegt Sorel, van de algemene werkstaking, die heteinde van de burgerlijke samenleving en de bestaande arbeidsverhoudingen zal brengen. Sorel vergeleek het revolutionaire proletariaat graag met de eerste Christenen, die weigerden zich te identificeren met het decadente Romeinse Rijk en leefden in de verwachting van een eindtijd, waarin de goeden en de kwaden zouden worden gescheiden.

Het begrip 'violence' houdt bij Sorel geen oproep in tot fysiek geweld, het is meer uitdrukking van een gevoel van strijdbaarheid en van de verwachting van een 'doorbraak', een 'omslag' of een 'grote verandering'. Toch is Sorel wel letterlijk misverstaan en dat heeft hem de kwalijke roep verschaft een voorloper van het fascisme te zijn. Mussolini dweepte met hem, en van de weeromstuit beschouwde Lenin de schrijver van 'Reflexions' als een warhoofd. Onverschillig liet hij hen geen van beiden, en Bas van Stokkom vindt dat hij om heel andere redenen dat ook ons niet zou moeten doen.

Van Stokkom is niet de eerste die dat vindt. Meer dan 50 jaar geleden kwam Jacques de Kadt in Nederland al tot een herwaardering van Sorel gekomen, niet als filosoof van het geweld, maar als filosoof van de vrijheid. In de Verenigde Staten werd Sorel in de jaren vijftig 'ontdekt' (door weinigen), na 1990 volgden ook Frankrijk en Italie, waar Sorel veel van zijn werk voor het eerst publiceerde en ook in zijn eigen tijd veel invloed had.

In Nederland is Sorel dit jaar nog het onderwerp geweest van een inleidend artikel van Evert Smit in Mens en Maatschappij. Hij constateert dat Sorel ten onrechte genegeerd wordt in de sociologie en ook Van Stokkom vindt dat Sorel ons als 'pragmatist en criticus van de Verlichting' nog van dienst kan zijn, ja zelfs actueel is nu de 'tijd van de Verlichtingsideologieen teneinde loopt' en de marxistische dogmatiek eindelijk aan zijn eigen tegenspraken en de weerbarstigheid van de werkelijkheid ten onder is gegaan.

Ik moet eerlijk bekennen dat Van Stokkom mij niet overtuigd heeft van de actualiteit van Sorel. Natuurlijk is het leuk om te lezen dat Sorel wetenschapsfilosofisch en kennistheoretisch een opmerkelijke eigen visie ontwikkeld heeft, die veel meer dan die van zijn tijdgenoten lijkt op de huidige opvattingen. Hij was praktisch en pragmatisch en zag de beoefening van wetenschap letterlijk als een vorm van vakmanschap in het kader van een bedrijf in concurrentie met andere bedrijven. Al lang voor Thomas Kuhn introduceerde bij het idee van de wetenschappelijke crisis als de noodzakelijke voorwaarde voor de grote wetenschappelijke sprong vooruit en lang voor Popper ontwikkelde hij demarcatiecriteria voor de wetenschap, al was hij meer dan Popper geneigd de wetenschap een eigen en relatief bescheiden plaats toe te kennen naast bijvoorbeeld kunst en religie.

Zelfs op de punten waar Sorel niet alleen vooruitloopt op wat nog komen moet zoiets levert iemand posthuum respect en erkenning op maar ook verder gaat dan wat nu gangbaar is, blijft echter het probleem dat zijn ideeen toen niet zijn opgepakt, historisch geen verbindingen hebben met de huidige discussie en door hemzelf noch door Van Stokkom zo ver zijn uitgewerkt, dat ze hun rol alsnog kunnen spelen. Sorel had teveel ideeen en te weinig discipline en Van Stokkom heft dat tekort niet op. Het 'cum laude' voor dit proefschrift vind ik dan ook wel een erg hoge waardering.

Wat voor Sorel's wetenschappelijk pragmatisme geldt, gaat ook op voor zijn kritiek op het geloof in de vooruitgang, de evolutie van de geschiedenis en de maakbaarheid van de samenleving. Hij zet zich scherp af tegen het denken van de Franse filosofen van de Verlichting (de Engelse bijdrage lijkt aan hem voorbij te zijn gegaan) en hun wereldvreemde rationalisme, zonder zelf in een wereldvijandig romantiserend denken te vervallen. Sorel was van huis uit ingenieur bij de Franse Rijkswaterstaat en hij was heilig overtuigd van de positieve betekenis van techniek en industrie. Hoogstens als moralist verlangde hij naar een herleving van klassieke perioden uit de geschiedenis zoals het Athene van de 4e eeuw voor Christus.

Het utopisch denken, ook van de marxisten, bleef voor hem een gevaarlijke en verleidelijke droom, die onvermijdelijk tot een vorm van despotisme en steeds verdere uitbreiding van de staatsmacht zou leiden. Nu is Sorel zeker niet de enige of de eerste die zich tegen het Verlichtingsdenken en het utopisme afzet, maar het tragische is dat zijn alternatief weer zo vaag blijft. Hij was geen rationalist en geen romanticus, maar wat dan wel? Wat houdt zijn pragmatisme nu precies in en is het niet juist toch romantisch om alle hoop te vestigen op een niet-verburgerlijkt proletariaat en tegelijkertijd te vertrouwen op wat Van Stokkom een 'onafhankelijkheidspathos' noemt, op vakbekwaamheid, hard werken en een spaarzaam leven. In dat opzicht was Sorel toch weer de typische Franse kleinburger, die hij ook in veel andere opzichten was. Waar Sorel modern was, heeft hij weinig of geen invloed gehad, en waar hij niet modern was, heeft hij de belangrijkste sociale ontwikkelingen van de twintigste eeuw geheel gemist.

Van Stokkom wijst erop dat bij Sorel geen spoor van aandacht, betrokkenheid of compassie te vinden is voor de concrete sociale problemen van zijn tijd, voor de levensomstandigheden van arbeiders. De mogelijkheden van de staat om sociale grondrechten te realiseren werden door hem niet gezien en feitelijk zelfs afgewezen. Hij geloofde in de zegeningen van een industrieel kapitalisme van inventieve ondernemers. Zijn afkeer van het improduktieve en ijdele bestaan van de achttiende-eeuwse aristocratie en de bourgeoisie van zijn eigen tijd (hij werd overigens zelf al op 45-jarige leeftijd ambteloos burger en leefde van een bescheiden erfenis) heeft hem belet de betekenis van een economie van consumentenprodukten onder ogen te zien. Zijn weerzin tegen partijpolitiek en electoraal populisme maakte het hem onmogelijk grote waarde te hechten aan democratie of zelfs maar de nadelen van een democratisch systeem tegen de voordelen af te wegen.

Ik heb uit het boek van Van Stokkom niet de indruk gekregen dat Sorel ons nog veel te zeggen heeft. In ieder geval zal het veel inspanning, uitleg en interpretatie vergen om duidelijk te maken wat dat nu precies zou kunnen zijn. Op dat punt laten de schrijver en zijn hoofdpersoon ons meestal in de steek, want of Sorel heeft er zelf niet veel over gezegd of de schrijver vindt het niet de plaats om daar nu eens uitgebreid op in te gaan.

Soms wordt Sorel ook duidelijk gebruikt als de autoriteit ter ondersteuning van eigen opvattingen en parti pris van Van Stokkom. Ik herinner even aan de gemakkelijke en verder nauwelijks toegelichte stelling dat de tijd van de Verlichtingsideologieen 'ten einde' loopt. Elders wordt Sorel gebruikt om kritiek uit te oefenen op het huidige 'verlangen naar een amusant bestaan' en onze 'hedendaagse spilzucht en koopziekte'. De gram die Van Stokkom namens Sorel in een laatste annex probeert te verhalen op de huidige beleidssociologen en het ontbreken van cultuurgeschiedenis en cultuursociologie (ik begrijp dat niet, het sneeuwt studies op dit gebied) lijkt me al helemaal misplaatst.

Van Stokkom wil ons kennis laten maken met de 'coherente' (consistente?), de 'duurzame' Sorel, maar tegelijkertijd veronderstelt hij dat de 'kennissen' (en de kennis) van Sorel zelf zo algemeen bekend zijn, dat hun introductie achterwege kan blijven. Dat is teveel eer, er is toch in Nederland niemand (meer) voor wie zowel de Franse geschiedenis van de 19e eeuw als het denken van Franse, Duitse en Italiaanse filosofen van de laatste driehonderd jaar een volstrekt open boek is. Wat als verduidelijking is bedoeld, werkt zo als verduistering.

Dat is jammer, want als uit het boek iets blijkt, is het dat Sorel in zijn denken steeds reageert op de politieke en sociale gebeurtenissen van zijn tijd. Ik vermoed dat de ontoegankelijkheid en onbekendheid van veel van zijn werk voor een belangrijk deel opgeheven zou worden, als de combinatie van ideeengeschiedenis en sociale- en cultuurgeschiedenis in dit proefschrift beter gelukt zou zijn.

Voorlopig blijft Sorel een gesloten boek.

Proefschrift Bas van Stokkom. Georges Sorel. De ontnuchtering van de Verlichting. Promotie 27 september aan Erasmus Universiteit Rotterdam. Promotor prof.dr. A. C. Zijderveld. Uitg. Het Kerckebosch, Zeist. 196 blz. fl.45, -.