Ons consumptieniveau tegenover hun bevolkingsgroei

In The Lancet van 13 oktober staan vele ingezonden brieven op het artikel van King. Volgens een ervan kan er genoeg voedsel geproduceerd worden: 'Als alle landbouwgrond in de wereld even efficient benut zou worden als die in Nederland, zou de aarde 67 miljard mensen kunnen voeden.'

Meer buitenlanders kijken vol bewondering naar ons kleine, overvolle landje dat na de Verenigde Staten de grootste voedselexporteur ter wereld is. Maar wat zij vergeten is dat onze agrarische produktie bepaald niet duurzaam is en dat wij vele miljoenen hectares landbouwgrond in het buitenland gebruiken, voornamelijk voor de produktie van veevoer. Volgens The Netherlands and the World Ecology, een rapport (1988) van de International Union for Conservation of Nature, gebruikt Nederland 15,9 miljoen hectare in het buitenland tegenover 2,9 miljoen hectare in eigen land.

Op dit moment wonen er op de wereld 5,3 miljard mensen, waarvan 4 miljard in ontwikkelingslanden. Enkele jaren geleden leek het erop dat de groeisnelheid aan het afnemen was en ging men ervan uit dat de wereldbevolking zich op een niveau van zo'n 10 miljard mensen zou stabiliseren. Maar volgens een recent VN-rapport blijkt de groei toch sneller te verlopen dan men verwachtte, wat een stabilisatieniveau betekent van 11 miljard tegen het einde van de volgende eeuw. Het kan zelfs oplopen tot 15 miljard als de daling van het geboortecijfer nog trager verloopt.

De ecologische effecten van deze bevolkingsgroei worden nogal eens onderschat, zelfs door de milieubeweging. Zo meldde het blad Milieudefensie nog in juli 1990 onder de kop 'Zorg over bevolkingsgroei is afleidingsmanoevre. Bij eerlijke verdeling kan de aarde voldoende produceren': 'Deze planeet gaat echt niet ten onder omdat er zoveel mensen rondlopen.' Als Tsjaad geen katoen, pinda's en fruit naar Europa zou exporteren, zou dit land alle Sahellanden kunnen voeden, aldus het blad. Het zou een eenvoudige verdelingskwestie zijn.

Minister Pronk geeft in zijn recente nota Een wereld van verschil. Nieuwe kaders voor ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig een evenwichtiger analyse. Hij maakt zich grote zorgen over de bevolkingsgroei en de draagkracht van de aarde. De mens consumeert nu al 40 procent van wat de ecosystemen aan biomassa kan produceren zonder dat het produktievermogen wordt aangetast. Door erosie is dat produktievermogen de laatste 40 jaar al met 13 procent afgenomen.

Pronk spreekt van een complexe relatie tussen bevolkingsgroei, armoede en milieu. Om de armoede op te lossen moeten de economieen sneller groeien dan de bevolking, maar hoge economische groei leidt weer tot een zodanige aanslag op het milieu dat ook uit dien hoofde armoede onafwendbaar wordt.

Volgens het Brundtland-rapport moet de wereldproduktie in 50 jaar vervijf- tot vertienvoudigen. Pronk vraagt zich af of dat kan. 'We verkeren in de niet benijdenswaardige situatie dat een snel toenemende wereldbevolking gemiddeld meer welvaart zal moeten verwerven in een kleiner wordende milieugebruiksruimte', schrijft hij.

De demografische transitie verloopt volgens hem in ontwikkelingslanden te langzaam, omdat de economische groei bij de bevolkingsgroei achterblijft. Daarom wil hij een actief bevolkingsbeleid, ingebed in een breder ontwikkelingsbeleid. Nederland is met een bijdrage van 56 miljoen een belangrijke donor van het VN-bevolkingsfonds.

Het probleem is dat de weg die de industrielanden destijds volgden voor het bereiken van welvaart en waarlangs zij de demografische overgang passeerden voor ontwikkelingslanden is afgesloten. Voor hen zijn er geen gebieden meer waar grote aantallen emigranten heen kunnen, waar men goedkope grondstoffen vandaan kan halen of afzetmarkten vinden.

Op dit moment wordt de ruimte voor investeringen in landbouw en milieu beperkt door de schuldenproblematiek. In 1988 was de kapitaalstroom van Zuid naar Noord 52 miljard dollar groter dan die in omgekeerde richting. Louter voor het aflossen van schulden en het betalen van rente worden de natuurlijke hulpbronnen in de Derde wereld uitgeput, zonder dat de eigen bevolking ervan profiteert en de honger afneemt. De debt-for- nature-swaps, waarbij schulden worden afgekocht in ruil voor natuurbehoud, zijn heel aardig maar zetten kwantitatief gezien voorlopig weinig zoden aan de dijk.

Verder worden in veel ontwikkelingslanden de voedselgewassen door handelsgewassen verdrongen. Want elk land moet, daartoe aangezet door IMF en Wereldbank, deviezen verdienen op de wereldmarkt. Veel kleine boeren raken hun grond kwijt aan grote agrarische ondernemingen of grootgrondbezitters en trekken naar de grote steden.

Dat niet elke wereldburger een Westers consumptieniveau kan bereiken is duidelijk. Zo groot is de draagkracht van de aarde bij lange na niet. De getallen over het beslag dat de inwoners van verschillende landen op het milieu leggen, laten dat zien. Gandhi zei indertijd: 'Engeland gebruikte de helft van de hulpbronnen op de wereld om zijn huidige welvaart te bereiken. Hoeveel werelden heeft India dan nodig om hetzelfde te bereiken.'

Het westerse consumptieniveau zal drastisch naar beneden moeten, naar pakweg het niveau van de gemiddelde Portugees of Rus, of nog lager. Veel verder dus dan wat minder autorijden, de verwarming wat lager of de glasbak.

De bevolkingsgroei gecombineerd met de mondiale milieuproblematiek maakt het armoedeprobleem tot een zeer urgent vraagstuk. Om de aarde leefbaar te houden moet niet alleen de bevolkingsgroei beperkt worden, maar ook de Westerse consumptie. Anders staan we nu nog maar aan het begin van een grote stroom armoedevluchtelingen zoals een binnenkort verschijnend nieuw rapport van de Club van Rome voorspelt.

Om dat perspectief te schetsen gebruikte de beroemde Franse demograaf Alfred Sauvy begin jaren '70 'de parabel van het schip uit Pakistan'. Mensen die in Pakistan geen toekomst meer zien verzamelen zich op een groot schip dat koers zet naar Europa. Angstvallig zien Europese regeringen het schip met duizenden vluchtelingen naderen. Geen regering wil het toelaten. Het schip blijft echter dobberen voor de kust, terwijl de omstandigheden op het schip almaar verslechteren. Na veel gesoebat tussen regeringen en na hoog oplopende publieke discussies kan men de aanblik van het schip met stervende mensen niet langer verdragen en laat men het toe in een haven, hopende dat daarmee het probleem is opgelost. Als het schip de haven binnenvaart, komt het bericht dat er een volgend schip in aantocht is.