Moraal en diplomatie

HET WAPEN VAN de boycot blijkt tweesnijdend te zijn. De afgrendeling van Irak en Koeweit heeft bijvoorbeeld een opdrijving van de olieprijs veroorzaakt die menig regeringsplan dreigt te doorkruisen. Maar ook op een meer indirecte wijze kan een boycot een loden last worden voor de landen die hem hebben ingesteld. Na de furie op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking vorige zomer besloot onder meer de Europese Gemeenschap tot strafmaatregelen tegen China. Gisteren werden die maatregelen grotendeels ingetrokken hoewel er van een keer ten goede in dat land geen sprake is. De reden: China heeft zich in augustus jongstleden in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties solidair verklaard met maatregelen tegen Irak. De ene zonde rechtvaardigt de andere. Diplomatie kent een hierarchie voor misstappen.

In een wereld die op weg zou zijn naar 'een nieuwe orde' (Bush) is een dergelijk opportunisme geen bijdrage aan de ethische geloofwaardigheid van het internationale handelen. Morele maatstaven blijken in de diplomatie kwantificeerbaar, de grootte en de invloed van een land bepalen mede de mate en de duur van eventueel opgeroepen verontwaardiging. Het heeft er veel van dat de Europese Gemeenschap schoon schip heeft willen maken. Niet alleen China, maar ook Iran en Roemenie mogen de in Luxemburg opgestoken warme wind over zich heen laten gaan. In beide gevallen blijft oplettendheid vereist om veranderingen ten goede waar te kunnen nemen, maar de Raad van Ministers vond het tegen de achtergrond van de actuele internationale toestand langzamerhand kennelijk welletjes.

DISCUSSIES over het verschijnsel boycot richten zich doorgaans op de technische uitvoerbaarheid. Maar als morele overwegingen een plaats moeten hebben in de diplomatie, is het beter er zorgvuldig mee om te gaan. Boycots die geen ander doel dienen dan de bevrediging van een kortstondige emotie voldoen niet aan dat criterium.