Literaire Tijdschriften

Geen enkel spoor van onfatsoen

Welk literair tijdschrift slaat een subsidie van fl.25.000 af? Een van 'swerelds beroemdste: The Paris Review. In een groot gewaad is het gemakkelijk gebaren, maar ook voor dit tijdschrift moet dit een moeilijke beslissing zijn geweest. Het draait, ook hier, om de restricties die sommige Amerikanen aan kunst willen opleggen. De grote subsidieverstrekker National Endowment for the Arts (NEA) nam kortgeleden een clausule op, die het ondersteunen van obscene artistieke uitingen verbiedt. Daarop nam The Paris Review het pijnlijke besluit voor verdere subsidie te bedanken.

In het laatste nummer is, zoals trouwens meestal, geen spoor van onfatsoenlijkheden te vinden. Maar 'nu er eenmaal een grens getrokken is, zou die te gemakkelijk kunnen worden verlegd', stelt de verantwoordelijke uitgever, Deborah Pease.

Over kleingeestige Amerikanen gesproken: 'Dame' Iris Murdoch vertelt in een interview met The Paris Review dat ze als ze de VS in wil komen nog telkens moet aantonen dat ze geen lid is van de Communistische Partij waar ze korte tijd toe behoorde, vijftig jaar geleden.

Murdoch heeft, met de hand, inmiddels 25 romans geschreven. Vaak is het te merken dat de schrijfster ook filosofe is, maar ze ziet niets in de filosofische roman. 'Neem de kwestie van Thomas Mann, die ik bewonder, als voorbeeld. Als zijn personages beginnen aan van die heel lange filosofische gesprekken denk je toch 'Nou, misschien kunnen we dit wel overslaan'. (...) Een goed leesbare roman is een groot geschenk aan de mensheid.'

Behartigenswaardig zijn, uitgerekend in dit nummer, Murdochs opmerkingen over kunst en pornografie. 'Goede kunst, wat de stijl ervan ook mag zijn, heeft eigenschappen als soliditeit, stevigheid, realisme, helderheid, afstandelijkheid, rechtvaardigheid, waarheid. Zij is het werk van een vrije, niet geketende, onbedorven verbeelding. Terwijl slechte kunst het weke, verwarde, op zichzelf betrokken werk is van een gekooide fantasie. Pornografie staat aan het ene uiterste, grote kunst aan het andere.'

De Franse origine van dit tijdschrift (opgericht in 1953) is allang niet meer relevant. In dit nummer werd een verhaal van een Frans auteur opgenomen, 'Channel Crossings' van Emmanuel Carrere. Het speelt zich af aan het Meer van Geneve, tussen Percy Bysshe Shelley, Mary ('Frankenstein') Shelley, Lord Byron en dokter Polidori. De laatste figureert ook in een voorpublikatie uit Portable People van Paul West, een serie boeiende biografische schetsjes ('full of malice and masochism as Polidori was, always bringing to the fore Byron's latent sadism') van onder anderen Nabokov, Nixon, Woolf, Sitwell, Goring, Duke Ellington en Sigmund Freud, steeds in een aangepaste stijl.

Dit nummer opent met een schitterend verhaal van Rick Bass over hoop en wanhoop van een ambitieuze bokser. Na een keer meedogenloos te zijn verslagen huurde hij een luchtballon. 'He went out over the countryside the next day, his face all bandaged up, with a bottle of wine and his girlfriends, and he took it as high as it could go, and then he cut the strings to the gondola.'

The Paris Review 115; 322 blz; $6. 45-39 171Place, Flushing, New York 11358USA.

Spruitjes moeten vlug gaarkoken

Het Vlaamse driemaandelijks literair tijdschrift 'met neus' De Brakke Hond publiceert zoals gewoonlijk in het herfstnummer de bekroonde verhalen van de jaarlijkse prozaprijsvraag. De eerste prijs ging dit keer naar Dirk van Eylen (student, 1965) voor 'New York', een niet onverdienstelijk, treurig verhaal over een kortstondige en weinig gretige verbintenis in de homo-kolonie Key West. De tweede prijs kreeg Kris Vanderlinden (bankbediende, 1960) voor 'Jean Huysmans', een dodelijk saai relaas over de begrafenis van een vader, zijn huwelijksleven en zijn jeugd. De moraal van het verhaal is dat er niets aan is, aan leven, maar dat is er erg dik bovenop gelegd.

Jef Blanke tenslotte (1945, corrector), behandelt in 'Het universum van Arthur Brandts door hemzelf verteld' exact hetzelfde probleem. 'De spruitjes schoonmaken, wassen, opzetten met zoveel kokend water en zout dat ze juist onderstaan en vlug gaarkoken.' Het gaat hier in het bijzonder om het verlepte bestaan van een would-be schrijver 'Ik zit aan mijn tafel bij het raam en open met weerzin m'n map Aanheffen, deel I en vind er de snippers van een schrijverswaan. Waar zijn ze nu, al mijn lieve woordjes? (...) De woorden die ik aanraak verschrompelen tot vieze klonters.'

Het herfstnummer wordt geopend door Bart de Man (1951, filosoof) met een polemisch stuk, 'Anbeeks analfabetisme'. Het gaat over de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985. Nu kan uit Vlaanderen geen positieve reactie verwacht worden, want Anbeek bespreekt in zijn boek niet de Nederlandse literatuur uit Belgie. Volgens De Man kan een literatuurgeschiedenis niet geschreven worden op basis van de receptie bij verschijnen, van tijdgenoten dus, onder andere omdat dan 'generatieconflicten en twisten van kleine zelfstandigen worden opgevat als poetische discussies'.

Verder verwijt De Man Anbeek, en dat is merkwaardig, dat hij de literatuur te veel los wil zien van de maatschappij. Zelf zou hij heel andere schrijvers gekozen hebben Jef Last, Anja Meulenbelt, Van Duinkerken, Jan Cremer, Jan de Hartog, Theun de Vries, Huub Oosterhuis en nu eens niet Kloos: 'Omdat hij op uitnemende wijze aan self-advertisement heeft gedaan, voor straatrumoer heeft gezorgd. Wordt het geen tijd om deze opgeblazen kikker door te prikken?'

De Brakke Hond nr.27. 151blz. fl.13,00. Verdussenstraat 13, 201Antwerpen. Of, voor Nederland, storten op giro 4716354 van K. Osstyn.