Kiezer blijft makkelijk weg bij stembus; Nipo-enquete overopkomst komende verkiezingen biedt weinig hoop

DEN HAAG, 23 okt. Een somber gezelschap gistermiddag achter de regeringstafel in de Senaat. Deetman, Bolkestein, Van Mierlo, Jurgens en De Koning in de rol van variete-directeuren die de opkomst van de televisie bespreken. Men heeft de boot gemist, maar waar? Nederlanders willen namelijk niet meer naar de stembus en dat baart degenen die er die er macht aan ontlenen zorgen. Voor de gemeenteraad dit voorjaar kwam maar 62 procent opdagen, voor het Europarlement vorig jaar 47.5 procent.

Hoe zal het volgend jaar bij de Statenverkiezingen zijn? De jubilerende Thorbecke-vereniging had er een Nipo-enquete over laten houden en de uitkomst bood weinig hoop.

Ruim een derde van het publiek meent dat het weinig tot niets uitmaakt of er wordt gestemd, noch op wie er wordt gestemd. Indien de overheid bij het stembureau een bijdrage in de kosten van de biljetten zou vragen, dan draait 46 procent van de kiezers meteen om. 54 procent trekt de grens bij een kwartje. Als het een gulden zou kosten dan is maar een derde van het electoraat bereid te verschijnen. Een keer per vier jaar een kwartje in de stembus zo'n knip voor de neus is politiek Den Haag het publiek waard.

F. Bolkestein liet het schrikbeeld van iedere democratisch gekozen politicus vallen: Weimar. Wordt Nederland een postmoderne variant van het politiek passieve Duitsland waarin Hitler een voedingsbodem vond? Hij dacht van niet. In de VS kan de bevolking Washington ook worden gestolen, meent hij, getuige de nog veel lagere opkomstpercentages aldaar. Toch is er een stabiel politiek stelsel. Volgens de VVD-leider is de politieke orde pas in gevaar als er massale emigratie optreedt, grootscheepse wetsontduiking en opbloei van terrorisme. Dat is in Nederland niet het geval, hoewel het met de wetsontduiking toch de verkeerde kant op dreigt te gaan.

Volgens Bolkestein is de afwezigheid van het Nederlandse electoraat eerder een bewijs van vertrouwen dan van onvrede. Uit de politieke statistieken van het Sociaal en Cultureel rapport 1990 'komen de Nederlanders naar voren als een vrij gelukkig volk, dat van de politiek allesbehalve revolutionaire veranderingen verlangt'. Nederland is af, zijn bewoners zijn redelijk tot zeer tevreden en overigens nauwelijks in Haagse politiek geinteresseerd. Wie zwijgt stemt dus toe, vond Bolkestein.

De Nederlander is ook in veel mindere mate het 'politieke dier' waar politici en filosofen hem voor wensen te houden, maar veeleer 'een individu dat probeert gelukkig te worden'. Als dat niet gebeurt door partijganger te worden, dan behoort Den Haag zich van een oordeel erover te onthouden. 'Mensen weten doorgaans zelf het beste wat goed voor hen is'. Bolkestein wees er daarnaast op dat sinds 1977 het aantal landgenoten dat zich met actie- en pressiegroepen bezighoudt fors is gegroeid: van 56 tot 72 procent. Helemaal ongeinteresseerd is men dus niet. De spreekwoordelijke saaiheid van het Haagse debat is volgens hem binnenkort afgelopen. Met PvdA-fractieleider Woltgens vond de VVD-voorman dat de politiek zich 'minder moet verschuilen achter het adviesradencircuit'. Als straks een debat in 'helder Nederlands' over de omvang van de overheid, de sociale zekerheid en het financieringstekort uitbreekt 'dan komt het spektakel vanzelf'.

De andere spreker, mr. H. van Mierlo, richtte reeds in 1966 een eigen politieke partij op om de kloof tussen Den Haag en de burger te dichten. Hij bleek kiezers die thuisblijven 'niet altijd' een probleem te vinden. Maar dan alleen als er overigens 'een redelijke tevredenheid heerst. De kiezer ziet er als het ware van af; hij delegeert', zei de D66-leider analoog aan Bolkestein.

Hij verklaarde de tegenvallende kiezersopkomst als een gevolg van de gebrekkige legitimatie voor 'Den Haag' in het land; niet als een oorzaak. Wat moet de kiezer nu denken van een politiek stelsel waarin een regeringspartij als de VVD tien zetels verliest en toch in het kabinet terugkeert, zoals in 1986 gebeurde? De tegenwerping van CDA-fractievoorzitter in de senaat, Kaland, dat dit logisch was omdat de coalitie als geheel inzet van de verkiezingen was, verwierp hij. De kiezer maakte voortzetting daarvan mogelijk en wenste deze dus, aldus Kaland. Maar dat vond de D66-leider 'toch niet bevredigend'.

Van Mierlo ging verder. Wat moet de kiezer denken van een politiek stelsel dat systematisch en consequent 'de laatste en meest essentiele voorwaarde voor democratie' negeert: 'Je kunt van iets of iemand af als de meerderheid dat wil'. Dat geldt namelijk niet voor het CDA. Dankzij de 'foute opstelling' van PvdA en VVD is deze partij niet los te branden uit het kabinet. 'Ook al verliezen ze tien zetels je kunt er vergif op innemen dat het weer terugkomt', aldus Van Mierlo. Je moet haast wel het gevoel krijgen dat 'het hele Haagse circuit van zichzelf is en niet van de burger'. Als eenderde van het electoraat daaruit de conclusie trekt dat zijn stem er niet toe doet dan is dat 'een kwaad teken'. De publieke moraal vervaagt, wetten uitvoeren wordt moeilijker, het draagvlak van politieke beslissingen wordt minder. Van Mierlo presenteerde zijn oplossing: maak de democratie directer, persoonlijker. Haal de Kamerleden achter de brede rug van de fractieleider te voorschijn; maak kiezer en gekozene 'aanwijsbaar voor elkaar'. 'Maak alle coalities denkbaar en uitvoerbaar, maar vooral ook strafbaar'.