In memoriam Hans Freudenthal

Op 13 oktober is kort na zijn 85ste verjaardag geheel onverwacht professor Hans Freudenthal overleden. Hij was in Luckenwalde in Duitsland geboren, studeerde aan de universiteiten in Berlijn en Parijs en kwam in 1930 op initiatief van L. E. J. Brouwer naar Amsterdam.

In 1946 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de rijksuniversiteit te Utrecht met als leeropdracht de zuivere en de toegepaste wiskunde en de grondslagen van de wiskunde. Zijn wetenschappelijk werk concentreerde zich op onderdelen van de meetkunde. We noemen zijn bijdragen aan de topologie en aan de theorie van de Lie-groepen, en in de latere jaren op het wiskunde-onderwijs.

Freudenthal was beslist geen typische specialist, vele onderdelen van de wiskunde boeiden hem en waren onderdeel van zijn colleges, voordrachten en publikaties. Hij schreef naast wetenschappelijke werken een aantal inleidende en populaire boeken over uiteenlopende onderwerpen uit de wiskunde, zoals waarschijnlijkheidsrekening, logica, rekenmachines en ook schreef hij een boek over toepassingen van de statistiek in de confectie-industrie (met J. Sittig: 'De Juiste Maat') en een wetenschappelijk werk over de constructie op logisch mathematische grondslag van een taal ten behoeve van contact met buitenaardse beschavingen. Het laatste werd door Brandt Corstius besproken (als ik me goed herinner) onder de titel: 'Freudenthal definieert een mens'.

Naast een brede belangstelling voor vrijwel alle onderdelen van de wiskunde ging zijn belangstelling ook uit naar vele andere onderwerpen uit de wetenschappen, publikaties over taal, over mechanika (veertien dagen geleden vertelde hij me dat hij daar opnieuw mee bezig was), over universiteits- en studentenpolitiek en beleid, over lerarenopleiding en geschiedenis.

Jarenlang verscheen een reeks van artikelen van zijn hand in het weekblad De Groene Amsterdammer.

Altijd al geboeid geweest door het onderwijs hield hij zich na zijn emeritaat steeds intensiever bezig met onderwijs in het algemeen en wiskunde-onderwijs in het bijzonder. Hij was niet alleen de oprichter en de geestdriftige leider van het Instituut voor Ontwikkeling van het Wiskunde Onderwijs (IOWO) van de Nederlandse vereniging tot ontwikkeling van het reken- en wiskunde-onderwijs, maar ook president van de ICMI (International Commission Mathematical Instruction) en initiator van het eerste internationale congres over wiskunde-onderwijs, nu een vierjaarlijks gebeuren met duizenden deelnemers uit de hele wereld.

Door zijn boeken 'Mathematics as an Educational Task' (1973) en 'Weeding and Sowing' (1978) verwierf hij internationale faam op het gebied van de wiskunde didactiek. In het voorwoord van het tweede genoemde boek merkt de auteur spottend op: ' Someone called my Mathematics as an Educational Task a Summa contra Mathematicos. This book could as well be called a Summa Contra Didacticos. They would be complements of each other, and that is alright. To everyone his due.'

De trouwe lezer van NRC Handelsblad herkent de stijl van de column die hij lange tijd in deze krant publiceerde.

Zowel als wiskundige als in zijn kwaliteit van deskundige op het gebied van de wiskunde-didactiek werd hij geeerd, onder andere met eredoctoraten in Berlijn, Brussel, York (Canada), Erlangen, Amsterdam en zeer recent ook Granada.

Tot de laatste dagen voor zijn dood was hij nog actief, juist was het manuscript voor een nieuw boek afgesloten en bijna dagelijks was hij aanwezig op de vakgroep OWOC (Ontwikkeling Wiskunde-onderwijs en Onderwijs Computercentrum) in Utrecht. Daar was hij steeds bereid om iedereen met raad en daad bij te staan en met plezier verrichtte hij voor alle medewerkers vertaalarbeid. Zijn kennis en beheersing van talen was binnen de wiskundewereld wel bekend, terloopt vermeldt hij in zijn boek 'Schrijf dat op, Hans', Knipsels uit een leven (1987) dat na Hebreeuws Frans zijn tweede vreemde taal werd. Later kwamen Latijn en Engels en helaas op school geen Grieks er bij. Hij deed er op de universiteit iets aan, las wiskunde, Plato, Aristoteles en een stukje Nieuwe Testament, hij volgde colleges Russisch en kon andere Slavische en Romaanse talen een beetje lezen en vrij behoorlijk Deens, Noors en Zweeds.

Talen leer je om te lezen, om in het cultuurgoed van anderen binnen te kunnen komen, en dit dan weer in woord en geschrift door te geven aan anderen, verrijkt met eigen bijdragen. In het verjaardagsboek, dat bij gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag gemaakt werd is een grote collectie citaten uit zijn werk te vinden, naast een door hem geschreven kinderverhaal en een lijst van zijn honderden publikaties tot op die dag. Er is sindsdien nog heel wat aan toegevoegd.

Na deze zinnen zal het u niet verbazen dat hem de Gouden Ganzeveer door de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond werd toegekend. Naast al zijn wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke werken publiceerde hij onder pseudoniem enkele romans. En als we goed geinformeerd zijn is het gepubliceerde maar een klein deel van de totale produktie.

We hebben hem leren kennen als causeur (het was een feest naar zijn verhalen en commentaren te luisteren), als journalist, als dichter maar vooral als mens.

Een mens met een brede, intense belangstelling voor de meest uiteenlopende facetten van onze cultuur. Hij schonk ons in het VPRO-programma 'Dagboek' van Netty Rosenfeld een blik in zijn jeugd in Luckenwalde in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog, en in zijn brief aan Lotte een indruk van zijn Nederlandse ervaringen in de Tweede Wereldoorlog.

Voor hen die (net als Freudenthal) knipsels bewaren herinner ik aan zijn artikel op 15-12-1951 'De godsbewijzen in het licht der moderne wetenschap' of op 4-8-1951 'Mevrouw, ze groeien ook zo hard' in de Groene Amsterdammer. Of naar zijn Hollands dagboek in het zaterdags bijvoegsel van de NRC van 27-12-1980.

Met kennelijke vreugde vertelde hij over het ereburgerschap van zijn geboorteplaats Luckenwalde, dat hem in deze dagen uitgereikt zou worden. Midden in een actief leven overleed hij. Zittend op een bank in het park troffen spelende kinderen hem aan. Wie zijn geschriften kent weet hoe hij gefascineerd was door gesprekken met kinderen.

Donderdag werd hij in kleine kring van kinderen, kleinkinderen en enkele vrienden begraven.

In het bovengenoemde boek met knipsels uit zijn leven schrijft hij een kritisch en speels in memoriam voor zichzelf, besloten met de opmerking dat op zijn grafsteen alleen de initialen H. F. zouden staan.

En nu ik in handschrift een eerste versie van deze regels maak merk ik hoe mijn hand ongemerkt de vorm geeft aan deze letters, die ik onder zoveel notities en kanttekeningen zag staan.

Vijf jaar geleden vierden we in grote kring H. F. 80. ' 85 is geen bijzonder getal', zei hij toen in zijn slotwoord, en kort na een kleine intieme verjaardagsviering op de vakgroep OWOC kwamen we samen om hem te begraven.

Vier jaar geleden was zijn vrouw Suus met wie hij zoveel gesprekken en discussies had over de pedagogiek overleden. We herinneren ons zijn trots toen zij een eredoctoraat voor haar werk kreeg en zullen nooit zijn afscheidswoorden aan haar vergeten.

Hoevele malen nam hij niet het initiatief voor veranderingen en vernieuwingen. Een van zijn stellingen was de wiskunde te zien als een menselijke bezigheid, niet als een mechanisch op te bouwen formeel systeem. Dat had zowel met de grondslagen van het vak als met de didactiek van het vak te maken. Door zijn kinderen gestimuleerd ging hij zich actiever bezighouden met het voortgezet onderwijs. Toen zijn kleinkinderen opgroeiden, groeide zijn betrokkenheid bij het basisonderwijs en de docentenopleiding.

Wij gedenken hem met dankbaarheid, voor alle helpende kritiek, voor alle belangstelling, voor alle initiatieven. Het was een voorrecht met deze mens te mogen samenwerking en van hem zoveel te mogen leren.

    • F. van der Blij
    • Opvolger van Prof.Dr. H. Freudenthal