Hoe groen zijn onze kleren

Veel textielverven zijn giftig, kankerverwekkend en slecht afbreekbaar. De verven worden geloosd door de textielveredelaars, maar ook door uw wasmachine.

Nederland is het eerste land waar de overheid zuiveringseisen stelt aan het afvalwater van de textielindustrie. De Dienst Binnenwateren streeft naar een beperking van 90% van de lozingen in de textielindustrie.

Al in 1986 publiceerde Albert Klingenberg van de Stichting Natuur en Milieu een rapport over textielchemicalien. Klingenberg schat dat per jaar in Nederland 3600 ton kleurstof door de industrie wordt verbruikt. Daarnaast gaat gemiddeld 140 ton kleurstof in kleine verftinnetjes voor doe-het-zelvers over de toonbank. Maar lang niet alle gebruikte verf hecht aan de textiel volgens de berekeningen van Klingenberg loost de industrie jaarlijks 1100 ton en de consument 70 ton overtollige kleurstof op het oppervlaktewater, zo'n 15 tot 30 procent van de totale kleurstofproduktie.

De officiele Coordinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren spreekt in haar rapport 'Afvalwaterproblematiek van de textielveredelingsindustrie' van jaarlijks minimaal 200 ton kleurstoflozing, maar vermoedt dat de werkelijke hoeveelheid uitstoot beduidend hoger ligt. De commissie, onderdeel van de Dienst Binnenwateren, moet de weg uitstippelen voor de reiniging van het oppervlaktewater.

Zuren en logen

Bij de voorbehandeling, het verven (of bedrukken) en de nabehandeling komen kwalijke stoffen vrij die direkt via het riool, soms door een waterzuiveringsinstallatie heen, in het oppervlaktewater terechtkomen. De meeste uitstoot van de textielveredelingsindustrie bestaat uit anorganische zouten, zuren en logen. Er worden enkele duizenden tonnen gebruikt bij het ontsterken (het met enzymen en oxidatiemiddelen verwijderen van verstevigingsmiddelen van garens), reinigen en merciseren (voor betere glans en aanverfbaarheid) van textiel.

Bij het verven, bedrukken, appreteren en finishen (o.a. brandwerend, waterafstotend en kreukherstellend maken) komen minder, maar wel veel schadelijker afvalstoffen vrij. Naast kleurstoffen gaat het om carriers (stoffen op basis van aromatische koolwaterstoffen om de aanverfbaarheid te verbeteren), biocyden en formaldehyde.

Vooral de rot-, mot- en schimmelwerende middelen en een groot aantal brandvertragende middelen zijn schadelijk. Speciaal genoemd worden pentachloorfenyllauraat en permethrin.

' Het grootste probleem van kleurstoffen is dat 15 tot 30% zich niet aan de vezel bindt en direct in het afvalwater terecht komt', zegt Klingenberg. ' Zuiveringsinstallaties breken deze kleurstoffen nauwelijks af waardoor ze via rioolwater in het oppervlaktewater en het slib terechtkomen.'

Van de kleurstoffen heeft negentig procent een betrekkelijk geringe giftigheid en belast het milieu nauwelijks. Ongeveer 60 kleurstoffen behoren tot de basische kleurstoffen en/of kleurstoffen op basis van trifenylmethaan en zijn relatief giftig. Van azo-, trifenylmethaan- en anthraquinonverbindingen is bekend dat ze pas na een periode van enkele weken tot maanden zijn afgebroken. Verder kunnen bij de afbraak van kleurstoffen schadelijke aromatische amines als benzidine, tolidine, aniline etc. ontstaan. Deze worden weliswaar sneller afgebroken maar zijn giftiger.

In beide rapporten worden met name benzidine en benzidine analoge kleurstoffen (BAK's) genoemd als kankerverwekkend. BAK's komen voor in kleurstoffen als Congo Red, Direct Red 28; Diamine Blue 2B / Direct Blue 6; Erie Black / Direct Black 38.

C. Lodiers, algemeen secretaris van Fenetextiel, de vereniging van textielveredelaars, wil de problematiek rond het afvalwater niet ontkennen, maar zegt dat Nederland het eerste land is dat zuiveringseisen aan het afvalwater van de textielindustrie stelt. Als alle zuiveringstechnieken die nu onderzocht worden bruikbaar zijn, hoopt de Dienst Binnenwateren medio 1993 het oppervlaktewater te kunnen vrijwaren van ongewenste textielchemicalien.

Fenetextiel is belast met het onderzoek naar die verschillende technieken. Daarbij wordt uitgegaan van zuivering aan de bron, daar waar het afvalwater door het bedrijf wordt geloosd op het oppervlaktewater. Daarnaast is er een databank ingericht met gegevens over de produkten die de textielindustrie gebruikt. Milieugevaarlijke stoffen worden verwijderd of vervangen.

Bij de Dienst Binnenwateren wil men het hergebruik van verfbaden sterk aanmoedigen. Na het verven wordt het verfbad opgeslagen en bij een volgend gebruik weer op concentratie gebracht door toevoeging van kleurstoffen en andere chemicalien.

De coordinatiecommissie acht het ongewenst om concrete saneringsmaatregelen voor te schrijven. Tot voor kort ging men er vanuit dat per 1 januari 1992 de bedrijfstak met zuiveringstechnieken zou komen. Ook dit blijkt niet haalbaar en nu wordt die datum uitgesteld.

Lodiers denkt dat het zeker nog 5 jaar duurt voordat de situatie verbetert. ' Het gaat ons ook veel te langzaam. Maar we moeten eerst onderzoek naar de technieken doen. En dat is veel werk. De ellende met textielveredeling is dat je met zoveel verschillende processen te maken hebt dat het de vraag is of de bestaande technieken ook in de praktijk werken. Er zijn tal van veranderende omstandigheden. Zoals de verschillende soorten textiel, warm of koud water; de de zuurgraad van water waardoor je weer verschillende verontreinigingseffecten kunt behalen etc. Verder zijn we nu al een jaar kwijt om de financiering van 1 miljoen voor het project rond te krijgen. 60% hiervan is de overheid bereid te financieren.'

Lodiers maakt zich zorgen om de concurrentiepositie van de Nederlandse textielindustrie. ' We willen wel in de pas blijven lopen met de ons omringende landen. Als sanering in een jaar afgedwongen zou worden, verliezen we op slag onze concurrentiepositie.'

Europese aanpak

Per bedrijf kunnen de investeringskosten in zuiveringstechniek tot enkele miljoenen oplopen, verwacht de coordinatiecommissie. Daarnaast zullen er enkele honderdduizenden guldens exploitatiekosten aan verbonden zijn. Fenetextiel denkt dat de kostprijsverhoging tot 20 procent kan oplopen.

Lodiers pleit voor een Europese aanpak. ' Zo'n tachtig tot negentig procent van ons oppervlaktewater komt uit het buitenland. Een land als Belgie bij voorbeeld doet helemaal niets, een van onze grieven. Brussel, hoofdstad van Europa, heeft niet eens een waterzuiveringsinstallatie!'

Een ander probleem waarmee ons oppervlaktewater (en de werknemers in de textielverdelingsindustrie) wordt bedreigd zijn geimporteerde kleurstoffen. In de 70-er jaren heeft de ETAD (Ecological and Toxicological Association of the Dyestuffs Manufacturing Industry), een mondiale organisatie van kleurstoffabrikanten, een lijst van kleurstoffen opgesteld die ze haar leden adviseert niet te gebruiken. In West-Europa is in 1983 naar aanleiding daarvan de laatste benzidinekleurstof (BAK) geproduceerd. Sindsdien worden er in de Westerse landen alleen nog maar alternatieven geproduceerd en verwerkt.

Maar in Derde-Wereldlanden worden BAK's nog wel geproduceerd. ' De niet-westerse fabrikanten zijn in dit gat van de markt gesprongen. De produktiewijze van de kleurstoffen is bekend, patenten zijn verlopen en BAK's zijn patentvrij en goedkoper te produceren dan de alternatieven', aldus Klingenberg.

De produktie van deze gevaarlijke kleurstoffen mag dan niet meer in het Westen plaatsvinden de handel erin is bloeiend. ' Schadelijke kleurstoffen zijn vrij verhandelbaar. Er is geen enkele controle over wat er bij zo'n handelaar binnenkomt en wat vervolgens de landsgrenzen weer uitgaat. Voor de invoer zijn geen regels. Iedereen kan in feite invoeren wat hij wil. Ons pleidooi is dat overheid, importeurs en gebruikers tot afspraken komen zodat die gevaarlijke kleurstoffen niet meer worden gebruikt c.q. verhandeld', aldus Klingenberg. Hij schat de handel in BAK's op zo'n 500 ton per jaar.

Klinkenberg: ' Een groot deel, 95% of meer, wordt ook weer geexporteerd. Export vindt vooral plaats naar Italie en Spanje voor de leerindustrie. Men kan zich afvragen of men daar op de hoogte is van de gevaren die het verven van leer met zich meebrengt. Ik vind dat de kleurstofgebruikers een goed overzicht moeten hebben van wat wel of niet aanvaardbare kleurstoffen zijn. Daar is een goede registratie voor nodig. De namen zijn vaak ook zo onduidelijk. Voor een kleurstof zijn vaak wel tien verschillende handelsnamen. Dat is niet meer te overzien voor de gebruiker. De problemen zouden voor een groot deel opgelost kunnen worden door een duidelijke zwarte lijst met kleurstoffen op te zetten.'

Uit cijfers van Fenecon, Vereniging Nederlandse Confectie-industrie, blijkt dat in waarde gemeten 24% van de kleding rechtstreeks uit het Verre Oosten wordt geimporteerd. De overige 76% van de kleding wordt uit het Westen betrokken. Dit zegt niet veel over de herkomst van de stoffen en welke kleurstoffen daarvoor gebruikt zijn. Bovendien gaat het bij deze cijfers om de waarde en niet de hoeveelheid kleding die wordt geimporteerd. Kleding uit Derde-Wereldlanden is aanzienlijk goedkoper dan Westerse kleding, waardoor in hoeveelheid gemeten er aanzienlijk meer dan een kwart wordt geimporteerd. Waar en hoe de stoffen bewerkt worden valt niet meer te achterhalen.

Via de wasmachine

Veel verontreinigende kleurstoffen komen, verwerkt in kleding of stof, weer terug naar Nederland en via de wasmachine weer in ons afvalwater terecht. Het ministerie van VROM erkent de problemen, maar zegt te weinig mankracht te hebben om er iets aan te doen. ' Bij ons is bekend dat die gevaarlijke stoffen via geimporteerde kleding uit de Derde Wereld weer in ons milieu terechtkomen. Het beleid dat we hier in Nederland voeren zou zich eigenlijk ook tot de Derde Wereld moeten uitstrekken. Door gebrek aan mankracht kunnen we niemand vrijmaken om deze problemen op te lossen', aldus Aad Sedee, van het Directoraat-Generaal van VROM.

    • Arjen Hoekstra