'Hier werken geen rooie rakkers meer'; Pragmatischeonderwijswinkels zijn met de tijd meegegaan

De hand van de jongen is al op weg naar de achterzak. ' Moet ik nog iets betalen?', vraagt hij bedeesd. Met een brede glimlach wordt hem duidelijk gemaakt dat de winkel waarin hij zich nu bevindt geen gewone winkel is. Hier doet men aan gratis dienstverlening. De jongen is van buitenlandse herkomst. Hij volgt een cursus Nederlands waar hij veel huiswerk voor krijgt en die nogal moeilijk is. Via de onderwijswinkel hoopt hij bijlessen te kunnen regelen.

De jongen is aan het goede adres, want voor het vak Nederlands zitten er altijd wel een paar docenten in de kaartenbak. De 'bijlesbank' is een van de activiteiten van de Amsterdamse onderwijswinkel, een vrijwilligersinitiatief dat sinds 1973 onafgebroken heeft getracht mensen de weg te wijzen in het oerwoud van regelingen en opleidingen in het onderwijs.

Praktische hulpverlening, dat is waar de onderwijswinkel zich op concentreert. In een opvallend gesitueerd hoekpandje op het Haarlemmerplein, aan de rand van de Jordaan, resideren elke middag gemiddeld twee 'winkeliers'. Meestal zijn het studenten. Ze krijgen per jaar zo'n 1400 vragen te verwerken. Tien procent daarvan betreft de bijlesbank, een bestand van docenten (hoofdzakelijk vers afgestudeerden) die bereid zijn om tegen een laag uurtarief bijles te geven.

Waar gewoonlijk bijlessen al gauw tussen de dertig en veertig gulden per uur kosten, hanteert de onderwijswinkel een uiterst schappelijke richtprijs van tien gulden. Dat was tot voor kort nog fl.7,50. In de praktijk bleek daar door de docenten vaak van afgeweken te worden, zodat het tarief verhoogd is. Niet van harte echter, melden de twee vrijwilligsters die vanmiddag hun wekelijkse dienst draaien. Het zijn immers vooral de 'minder bevoorrechte groepen in de samenleving' waarop de onderwijswinkel zich richt.

' Maar je kunt niet tegenhouden dat docenten meer vragen dan het afgesproken bedrag', stelt vrijwilligster Susan Walstra vast. ' We houden toch al met moeite de bak vol.' Hetgeen even later bevestigd wordt als een klant telefonisch om bijlessen wiskunde verzoekt: hij krijgt het adres en telefoonnummer van de laatste docent in de exacte vakken. Werving van nieuwe leraren moet binnenkort wat meer lucht geven aan de bijlesbank.

Volle etalage

Maar de onderwijswinkel doet meer. De etalage ligt vol met brochures over allerlei soorten van onderwijs, en dat is precies waarvoor de meeste bezoekers komen: informatie. Men wil weten wat voor mogelijkheden er zijn op het gebied van het beroepsonderwijs, korte cursussen, de volwasseneneducatie of hoe het met de studiefinanciering zit. Voordat er her en der 'steunpunten' voor de studiefinanciering werden ingericht, was dat een thema waarover elke week wel een paar vragen werden gesteld.

Ook komen er ouders langs die door de bomen het bos niet meer zien en van de onderwijswinkel willen weten welke school ze voor hun kind moeten kiezen. In zo'n geval gaan de onderwijswinkeliers er eens rustig voor zitten. Men bespreekt de mogelijkheden en de maatstaven, legt uit dat de eigen ideeen van ouders ook belangrijk zijn.

De persoonlijke aanpak en het meedenken, samen met de tijd die voor de klant wordt uitgetrokken (Walstra: ' Desnoods leggen we de telefoon naast het toestel'), zijn er de oorzaak van dat deze 'eerstelijns' voorziening voor veel mensen aantrekkelijker is dan professionele instanties als stichtingen voor school- en beroepskeuze of schooladviesdiensten. Ook is volgens Walstra de positie van schooldecanen niet altijd even uitnodigend. Vaak worden die als verlengstuk van de school gezien, waardoor ze in een conflictsituatie tussen leerling, ouders en school automatisch tot 'partij' worden.

Op de regel dat de dienstverlening de klant bovendien geen cent kost, is wel een enkele uitzondering. Voor het paradepaardje van de publicitaire activiteiten van de Amsterdamse onderwijswinkel, een boekje over het 'vernieuwingsonderwijs' op de hoofdstedelijke basisscholen, moet een paar gulden worden betaald. Het is een handzame brochure waarin in eenvoudige bewoordingen uit de doeken wordt gedaan wat de pedagogische uitgangspunten van onder meer Montessori-, Freinet- en Jenaplanonderwijs zijn, compleet met de adressen van de scholen waar dat onderwijs wordt gepraktiseerd. Het boekje is enige jaren oud, maar met inlegvellen wordt de actualiteit bijgehouden. De belangstelling is groot.

Niet alleen Amsterdam

De onderwijswinkel heeft zijn plek onder de zon niet alleen in Amsterdam bevochten. Vroeger bestonden er weliswaar heel wat meer, maar een zoekactie levert nog altijd een paar redelijk tot goed draaiende winkels op in Groningen, Alkmaar, Haarlem en Maastricht. In grote lijnen werken die allemaal op dezelfde manier, iets wat niet gezegd kan worden van de onderwijswinkels die in Rotterdam en Leiden onder die naam opereren en die veel meer zijn gekoppeld aan het buurtopbouw- en maatschappelijk werk.

In Leiden bijvoorbeeld heeft slechts ruwweg de helft van de bezigheden iets met onderwijs te maken. Daarnaast doet men veel meer dan de gebruikelijke informatievoorziening: in het eigen pand, een voormalig schoolgebouw, is plaats voor muziekles en huiswerkklassen en worden lesprojecten voor Leidse scholen gemaakt. Bovendien het grootste verschil zijn er via een landelijke arbeidsplaatsenregeling twee beroepskrachten in dienst.

Bij de 'gewone' onderwijswinkels is dat niet het geval. Net als in Amsterdam ploeteren vrijwillige winkeliers zich daar met veel inzet jaarlijks door honderden verzoeken om informatie heen. Verder worden er voorlichtingsbrochures samengesteld of organiseert men onderwijsmarkten voor schoolkiezers, zoals in Alkmaar al jaar en dag gebeurt. Overal staat de klantgerichtheid centraal. Soms gaat die zo ver dat de klanten naderhand nog eens opgebeld worden om te vragen of het advies ergens toe geleid heeft, een geste waar Maastricht erg aan hecht.

Is de onderwijswinkel kortom een nuttig, maar verder bovenal oerbraaf service-instituut met de tevredenheid van de klant als hoogste doel? Wie die veronderstelling een kleine twintig jaar geleden hardop had geuit, had het moeilijk gekregen. Het was de periode waarin links-intellectuele groeperingen binnen en buiten de universiteit de verworvenheden van de wetenschap in wilden zetten ten behoeve van het 'gewone volk'. Conform de tradities van een handeldrijvende natie koos men daarbij massaal voor de winkelvorm. Bij bosjes verrezen er dus rechtswinkels, gedreven door idealistische (aankomende) juristen, gezondheidswinkels (met dito artsen) en onderwijswinkels.

Waar de gemiddelde commerciele winkelier echter naast een gevulde kassa inderdaad geen andere ambitie kent dan de tevredenheid van zijn klanten, beoogde de intellectuele middenstand iets anders. Met een laagdrempelige voorziening werden eindelijk de mensen bereikt die altijd overal buiten vielen en tegelijkertijd, aldus het heersende geloof, diende de bijl aan de wortel van 'het systeem' te worden gelegd. Individuele hulpverlening was mooi, maar acties waren mooier. De onderwijswinkels waren volgens de initiatiefnemers, waaronder een tegenwoordig al lang weer vergeten groepering als 'de kritiese leraren', bedoeld als voorposten van een omwenteling of op zijn minst een vernieuwing in het onderwijs.

Verdampte idealen

Zoals bij meer produkten van de ideologische bevlogenheid van die dagen verdampte echter ook hier het ideaal. Niet dat er gebrek aan animo was. Op het hoogtepunt van de beweging, in de tweede helft van de jaren zeventig, bestonden er zo'n twintig onderwijswinkels. De Maastrichtse winkel was in 1981 een van de laatste die de gelederen kwam versterken, maar toen al was duidelijk dat er van de dubbele doelstelling niet veel terecht kwam.

Een congres van tien onderwijswinkels dat een jaar later in Groningen werd gehouden, trok de sombere conclusie dat de 'EHBO-functie' in de loop der tijd nogal de overhand had gekregen ten koste van de 'horzelfunctie'. Niettemin besloot men vol goede moed dat het nog niet te laat was om zich op ' structurele problemen in en buiten het onderwijs te gaan richten'. Dat althans meldde het congresverslag in een met de beweging sympathiserend blad. Helaas, vijf jaar later was de situatie er in dat opzicht niet beter op geworden. Blijkens een artikel in hetzelfde periodiek trok de landelijke bijeenkomst van 1987 nog maar vijf winkels, die geen van allen prioriteit legden bij het voeren van acties.

Henk Geelen, psycholoog, consulent bij het welzijnswerk en een van de grondleggers van de Maastrichtse onderwijswinkel, verbaast zich er niet over. Met een steeds vlottende groep vrijwilligers is het per definitie moeilijk om werkelijk diepgaand een probleem aan te pakken. Maar ook: de tijden zijn veranderd en met hen de mensen die de onderwijswinkels bemannen. ' Vrijwilligers die zich om politiek-maatschappelijke redenen bij ons melden vind je niet meer', constateert hij. Veelal zijn het mensen die wat met het onderwijs te maken hebben (gehad), het terrein interessant vinden en iets zinnigs om handen willen hebben.

En dat heeft consequenties voor de felheid waarmee bepaalde activiteiten worden ondernomen. Zo geeft de Maastrichtse onderwijswinkel jaarlijks een brochure uit met een overzicht van de kosten die verbonden zijn aan het volgen van voortgezet onderwijs. In 'Wat kost zo'n school nou' wordt keurig op een rijtje gezet hoe hoog de verlangde ouderbijdragen van de verschillende scholen zijn, hoe duur de verplichte sportkleding is en of de school een boekenfonds kent. Nuttige gevens voor de laagstbetaalden, maar de wat controversieler informatie is er wel uitgelaten.

Een voorbeeld is het feit dat op zijn minst een van de RK-scholen een gedeelte van de ouderbijdragen afdraagt aan het regionale Katholieke Onderwijsbureau. Dat zal, vermoedt Geelen, niet elke 'neutrale' ouder apprecieren. Maar om moeilijkheden met de school te voorkomen, is deze informatie niet in de brochure terechtgekomen. Het zou immers kunnen gebeuren dat de onderwijswinkel moet bemiddelen bij problemen tussen leerling en school.

Geelen: ' Als je dat soort dingen opschrijft, gaan er deuren dicht. Verder heeft het ook geen zin om het aan de kaak te stellen, want de maatschappelijke bereidheid om het op te pikken is er niet. Onze vrijwilligers voelen er niets voor, die hebben geen zin om voor rooie rakkers door te gaan. Dat wordt slecht voor de beeldvorming gevonden. De huidige generatie vrijwilligers vindt dat je zakelijk en professioneel moet werken. Ze hebben geen boodschap aan wat ze zien als een mentaliteit uit de jaren zestig.'

Subsidie

Alle onderwijswinkels krijgen gemeentelijke subsidie. Leiden is ook hier een buitenbeentje met een jaarlijkse toewijzing van ongeveer 40.000 gulden, iets waar het ruimere activiteitenscala en de dure huisvesting debet aan zijn. Bij de rest varieren de bedragen van fl.12.000 (Amsterdam) tot fl.3000 (Maastricht). Daarmee kunnen meestal net de huur van de ruimte en wat exploitatiekosten worden bestreden, voor andere activiteiten is er geen geld.

Het is om die reden dat de Groningse winkel met een donateursbestand werkt. Ook schrikt men er daar niet voor terug waar nodig de Stichting Zomerzegels tot een gift te verleiden. Maastricht spande jarenlang de kroon in gemeentelijke krenterigheid. In de begintijd van de winkel betaalden de vrijwilligers en bestuursleden de noodzakelijke uitgaven van gemiddeld tweeduizend gulden zelfs uit eigen zak. Pas enige jaren geleden stemde de gemeente toe in een subsidie, maar die is altijd nog lager dan wat de zusterwinkels mogen toucheren.

Maar uiteraard kan het nog erger. Het is niet helemaal duidelijk wat de oorzaken van de teloorgang van alle andere onderwijswinkels zijn geweest, maar dat het stopzetten van subsidies (naast teruglopende belangstelling van vrijwilligers) daar een rol in heeft gespeeld, is wel zeker. Bij de overheid heeft de gedachte dit soort voorzieningen te organiseren of op zijn minst zo ruim te subsidieren dat er beroepskrachten kunnen worden aangesteld, zelfs nooit ingang gevonden. Het verschijnsel 'onderwijswinkel' is er nauwelijks bekend en een beleid is er zeker niet, vertelt een woordvoerder van het ministerie van onderwijs.

In het Amsterdamse stadhuis is de betrokkenheid als subsidient van de onderwijswinkel natuurlijk groter, maar de suggestie dat de gemeente de zaak zou kunnen overnemen wordt vierkant afgewezen. ' Dat is een beetje raar Russisch gedacht', laat de gemeentelijke onderwijsvoorlichtster wat schamper weten. ' Wij hebben juist niets tegen burgerinitiatief, dat past in het concept van het besturen op afstand. De overheid hoeft toch niet overal voor te zorgen?'

Rotterdam is minder benauwd voor dat Russische denken, getuige de full-time beroepskracht die de gemeente achter een speciale onderwijsinformatiebalie heeft neergezet. De balie maakt deel uit van het HIC, het hulp- en informatiecentrum waar de Rotterdammer met problemen van de meest uiteenlopende aard terecht kan. De dienstverlening van de onderwijsbalie lijkt als twee druppels water op die van de onderwijswinkels in andere steden. Zoals gezegd bestaan die in de Maasstad ook wel, maar dan met een ander karakter, ingebed in buurtgebonden actiegroepen als Het Oude Westen. De gemeenschappelijke noemer ligt daar in het opbouwwerk individuele vragen om informatie worden naar de onderwijsbalie van het HIC doorverwezen.

Maar niet alle onderwijswinkeliers zijn overtuigd van de hogere wijsheid om de overheid een grotere stem in het kapittel te geven. Een gemeentelijke onderwijswinkel, dat riekt naar het opgeven van de onafhankelijkheid, is de redenatie. De ideologie van de pioniers uit de jaren zeventig is nog lang niet dood.