Gordiaanse knoop in het Kremlin

Met een heleboel bombarie begon het debat. Het eindigde drie dagen later met minder spektakel dan de behandeling van de begroting voor Economische Zaken in onze Tweede Kamer vermag uit te lokken. En dat is, zoals bekend, niet veel.

Dinsdagavond, toen het hervormingsprogramma van president Gorbatsjov via de Opperste Sovjet naar buiten kwam, was de Russische leider Boris Jeltsin nog in allerijl van zijn ziekbed naar het parlement gekomen om daar uit te varen tegen Gorbatsjovs 'catastrofale' plannen. Die hadden in zijn ogen slechts tot doel het verdergaande en effectievere beleid van Ruslands enthousiaste nieuwe leiding te 'saboteren'. Een politieke strijd leek in zicht. Maar vrijdag verklaarde Ruslands premier Ivan Silajev, die zich de afgelopen weken toch ook niet onbetuigd had gelaten als het ging om kritiek op de centrale macht in Moskou, onbeschroomd dat hij het programma van Gorbatsjov nog eens aan een 'serieuze analyse' moest onderwerpen.

En Jeltsin? De politicus Jeltsin bleef de avond waarop hij zijn gedemoraliseerde medewerkers moed had kunnen inpraten in bed. Om zijn hersenschudding uit te zieken of, zoals het gerucht wil, om zijn verbittering over Gorbatsjovs laatste stunt (de machtigingswet van vier weken geleden) onder de dekens verder te verwerken.

Je zou haast gaan denken dat het allemaal theater is en dat de soep bij voorkeur kokend heet wordt opgediend maar vervolgens, door de vele toasten die ondertussen moeten worden uitgebracht, in alle rust kan afkoelen. Dat is schijn, want onder de oppervlakte is het een grote paradoxale warboel gebleven.

De discussie die afgelopen maanden met name in Moskou woedde, ging op het eerste gezicht over de aard en het tempo van de overgang naar een markteconomie. Premier Nikolaj Ryzjkov wilde de transitie zoveel mogelijk uit het politiek-bestuurlijke centrum begeleiden. Zijn idee bijvoorbeeld om het overschot aan roebels, dat nu nutteloos in oude sokken zit of zijn weg vindt op de hyper-inflatoire zwarte markt van spijkerbroeken en vijfdehands auto's, via centraal opgelegde prijsverhogingen af te romen was daarvan een illustratie. De weigering om drastisch te snijden in de staatssubsidies voor alle slecht renderende bedrijven en kolchozen eveneens. Ryzjkov presenteerde dat steeds met altruistische en politieke argumenten. Hij wilde sociale onrust voorkomen en dus moest het allemaal geleidelijk aan gebeuren. Daarom ook moesten de prijsverhogingen voor de 'bejaarden, invaliden' en andere sociaal gedupeerden gecompenseerd worden. Maar in feite was hij bovenal de tolk van zijn achterban: de Moskouse bureaucraten die het gehele land uit hun bijna zeventig ministeries willen bestrijken en dus juist nu Konrad Adenauers leuze 'geen experimenten' in hun banier voeren.

De jeugdige economen rondom hun oude leermeester Stanislav Sjatalin, tevens lid van de presidentiele raad van Gorbatsjov, daarentegen opteerden voor een 'jaar nul' in de economie. Want zo zou je hun 'vijfhonderd dagen-plan' kunnen typeren na al die decennia plansocialisme (en evenveel jaren vaak mislukte burgerlijke kapitalistische hervormingen onder de tsaren). In anderhalf jaar moest er een einde gemaakt worden aan verliesgevende bedrijven die door de staat op de been worden gehouden, aan het begrotingstekort, aan de alomvattende invloed van het militair-industrieel complex en dienden tegelijkertijd een radicale privatisering van het bezit en liberalisering van de roebel hun beslag te krijgen.

Alleen de prijzen van de eerste levensbehoeften zouden de eerste anderhalf jaar, om politieke redenen (zie Ryzjkov), door de staat gecontroleerd moeten blijven worden. Hoe dat zou kunnen in een markteconomie, waarin juist alles vrijer moet worden, werd tot nu toe niet duidelijk. Maar de intentie was er tenminste. En goede bedoelingen willen ook wat, zeker in een land waar de klerken het al zo lang voor het zeggen hebben gehad en alleen jonge honden in deze fase, waarin scepsis en optimisme met elkaar om voorrang strijden, nog voor geloofwaardig vuur lijken te kunnen zorgen. De realiteit van de sick jokes ('Wat was er vroeger, de kip of het ei? Vroeger was er alles!') is diep geworteld, die laat zich niet meer alleen via voorzichtige accentverschuivingen keren.

President Gorbatsjov heeft een keuze op dit cruciale moment niet aangedurfd. Hij heeft de 'synthese' gezocht en gevonden. De Ryzjkov-vleugel gedroeg zich vrijdag als de winnaar, ook al had hij daar op de keper beschouwd niet zoveel reden voor. De Sjatalin-jongens oogden verslagen, hoewel er voor hen toch nog veel openingen waren overgebleven. Vice-premier Grigori Javlinksi van Rusland, de co-auteur van het 'vijfhonderd dagen-plan' die afgelopen zomer op die titel onder Jeltsins protectie het politieke toneel betrad, bood vorige week nog voordat er een beslissing was gevallen zelfs al zijn ontslag aan. De eerste politieke teleurstelling deed hem reeds omzien in wrok.

Waarom prefereerde Gorbatsjov de middenweg? We weten het niet. Maar het ligt voor de hand om te veronderstellen dat machtspolitieke taxaties daaraan ten grondslag hebben gelegen. Hoezeer de radicale hervormers ook het gelijk aan hun kant mogen hebben, de president kon zijn 'perestrojka' vijf jaar geleden bovenal beginnen op de golven van een groot deel van het middenkader van partij en staat. En dat kader kan hij op dit moment, ook al hebben de jonge intellectuelen zich nu eveneens in het gevecht gestort, kennelijk niet ongestraft van zich vervreemden.

Het schimmengevecht over het economische hervormingsbeleid staat echter ook voor andere, nog structurelere, problemen. Enigszins schematisch weergegeven, zou je kunnen zeggen dat de Sovjet-samenleving op drie fronten tegelijkertijd strijdt: op het ideologische, op het sociaal-bestuurlijke en op het politiek-economische front.

Het totalitair-ideologische karakter van de socialistische maatschappij is nu plaats aan het maken voor een anti-ideologisch klimaat. Met uitzondering van de orthodoxe kerk (maar die heeft ten eerste boter op zijn hoofd en vertegenwoordigt ten tweede slechts een beperkt, slavisch, deel van de bevolking) wordt nagenoeg alles wat maar enigszins zweemt naar ideologische consensus afgewezen. Maar de brug naar een nieuwe maatschappelijke morele consensus loopt vooralsnog naar nergens. Zo ongeveer het enige identificatiepunt dat de Sovjet-burgers nu nog rest, is hun 'crisis'. En dat is geen cynische waarneming van een buitenstaander, maar een half-serieuze grap van een academica die werkt op het Instituut voor internationale economische en politieke studies (tot voor tien dagen overigens nog 'Instituut voor de economie van het socialistische wereldsysteem' geheten).

Op het tweede front manifesteert zich de strijd om de moderne burgerlijke samenleving. Onder het socialistische bewind leefden de mensen in een corporatistische cocon. Als je een mooie baan had en je mond hield, was er nog wel wat: een huis, een vakantie, een sportclub en eten uit de bedrijfswinkel. In een liberale wereld, waar de arbeidsdeling per definitie steeds maar verder moet voortschrijden, is voor dergelijke statische verhoudingen natuurlijk geen plaats meer. De burger moet dynamisch en dus individueel worden. Hij moet zich kunnen bevrijden uit de greep van collectieve gemeenschap die hem tot nu toe bond. Maar waar kan hij dat? Vijf jaar Gorbatsjov en Ryzjkov hebben weliswaar geleid tot een succesvolle afbraak van de oud-corporatieve structuren, maar hebben niets ervoor in de plaats weten te stellen. Er resteert nu nog slechts de willekeur van de zwarte markt en de norm van de corruptie.

In de derde arena strijden de politiek en de economie om het primaat. De centralistische planeconomie had uit de aard der zaak altijd een uitgesproken politiek karakter, zowel in haar doelen als in de wijze waarop ze aan het volk werd gepresenteerd. Het resultaat is geen geheim. De meeste mensen hebben daarom hun buik meer dan vol van DE politiek, die hun jarenlang voorhield dat elke boer of arbeider een leninistisch genie kon zijn als hij maar zijn best deed en de weg van het wetenschappelijk socialisme volgde. Velen willen nu alleen nog maar in de economie geloven.

De jonge economen, die thans kunnen schitteren, laten het zich met graagte aanleunen. 'Ik ben een econoom, een wetenschapper', zei vice-premier Javlinksi zonder schaamte toen hij vorige week de pijp aan Maarten wilde geven omdat volgens hem de politici bezig waren zijn economische plan te frustreren.

Javlinski is niet de enige die zo redeneert. Burgemeester Gavriil Popov van Moskou gaf vorige week in een interview met de hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad 'Moskovskije Novosti' daarvan ook een treffend voorbeeld. Hij heeft sinds de verkiezingen van dit voorjaar in de Mossovjet, de gemeenteraad, een comfortabele meerderheid tot zijn beschikking maar daarmee uiteraard nog geen loyaal ambtenaren-apparaat en zeker ook geen steun van de centrale communistische regering. Een onaangename doch onvermijdelijke positie voor een politicus in een revolutionaire tijd. Popov overweegt zich niettemin te ontdoen van zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid. 'Onze strategie is om ons terug te trekken van de posities die we hebben veroverd, zodat we het vertrouwen onder de kiezers kunnen behouden. Het land heeft een regering nodig die recht en orde kan handhaven. Zodra er zo'n regering is, zullen we snel de miljarden dollars krijgen die we zo dringend nodig hebben', betoogde Popov.

Citaten die kunnen illustreren wat in deze progressieve kring de sfeer aan het worden is. De ideeen zijn objectief goed, subjectieve politieke overwegingen zouden derhalve geen rol mogen spelen. Dat is meer en meer het gevoel. Voor het probleem hoe een honderd procent gecentraliseerde economie zich ordentelijk laat transformeren dat wil zeggen op een manier die voorkomt dat de Jacobsen en Van Essen, de snelle jongens die een winstgevende deal vandaag hoger waarderen dan renderende handel op lange termijn, er straks met de volledige buit vandoor gaan bestaat dan ook navenant minder belangsteling. 'Van de zomer, toen Rusland alle veertien andere sovjetrepublieken op een lijn had om op basis van het Sjatalin-Javlinski-programma samen verder te gaan, toen was een politieke oplossing nog mogelijk geweest. Nu niet meer', aldus een van de economen van Javlinksi.

Een klassieke opvatting, deze visie dat een goed idee per definitie zo goed is dat het onversneden uitgevoerd moet kunnen worden. Het is het bijna mechanistische uitgangspunt dat de samenleving een laboratorium is waarin externe en dus storende factoren zich laten uitschakelen. Kortom, de gedachte dat een nieuwe Russische maatschappij met oude Sovjet-wapens kan worden bevochten. Ontken de noodzaak en aantrekkelijkheid ervan maar eens in een maatschappij waar het woord 'burgeroorlog' dagelijks valt. De tijd dringt immers. Het burgerlijke moderniseringsproces dat in andere tijden en andere samenlevingen generaties duurde en veelal ook nog dood en verderf zaaide, moet in de Sovjet-Unie bij voorkeur morgen in het verschiet liggen.

Maar daarmee is het wel een gordiaanse knoop geworden die zich niet meer via onderling overleg en het sluiten van compromissen laat ontrafelen. Als het probleem zo wordt gepresenteerd, dringt de conclusie zich bijna onvermijdelijk op: kan alleen een sterke hand nog uitkomst bieden? Er is een recent voorbeeld waar het zo gelukt schijnt te zijn: Chili. Ik stel de vraag aan de medewerker van Javlinski een beetje onderhuids en beschaamd. Maar wat gebeurt er? De econoom ontsteekt in een lofzang op generaal Pinochet. Die had de urgentie in 1973 door. Dankzij hem kon de monetarist Milton Friedman saneren.

Het perspectief wordt vervolgens zelfs nog scherper gedefinieerd. Een paar maanden geleden had de Russische collega van Pinochet niet geweten wat hij met de macht zou moeten doen. Nu ligt er een kant en klaar programma gereed: hun vijfhonderd dagen-plan.