Wijziging van lijfrente-regeling zal leiden tot onzorgvuldigewetgeving; Minister van financien regeert bij decreet

De aankondiging van minister Kok (Financien) vorige week maandag om de regeling van lijfrenten in de inkomstenbelasting ingrijpend te herzien, baarde zeer veel opzien. Stelde de regering in juli 1989 nog voor de premies voor lijfrenten voortaan onbeperkt aftrekbaar te maken, op 15 oktober jongstleden decreteerde de minister dat fl.10.000 veelal het maximum is. Momenteel zijn lijfrente-premies nog aftrekbaar tot een maximum van fl.17.116 per jaar. De regering ging in haar voorstel van 1989 ervan uit dat iedere burger zo verstandig is dat hij nooit meer lijfrentepremies zal betalen dan hij behoefte heeft aan lijfrente-uitkeringen.

In deze zienswijze, die het natuurlijke maximum wordt genoemd, zou iedere belastingbetaler een vrijwel volstrekte vrijheid genieten zo veel lijfrentepremies te betalen als hij maar wilde. De gedachte van de regering was dat een rationeel handelende burger nooit meer lijfrentepremies zou betalen dan hij aan oudedagsvoorzieningen zou menen nodig te hebben. Een aspect zag de regering daarbij echter over het hoofd, namelijk dat belastingplichtigen ook het uitstellen van belastingheffing als zeer rationeel ervaren.

Het is dan ook begrijpelijk dat de Tweede-kamerleden Vermeend en Vreugdenhil moeite hadden met dit voorstel. Zij hebben druk uitgeoefend op de regering het natuurlijk maximum te laten varen. Het persbericht van 15 oktober, waarin de minister aankondigt de lijfrente-premie-aftrek in de meeste gevallen te zullen beperken tot fl.10.000 per jaar moet dan ook worden gezien als een erkenning dat de Tweede Kamer het hier bij het rechte eind had. Na de aanvaarding van de kritiek van de Kamerleden is minister Kok echter van ketter tot grootinquisiteur verworden. Tot op heden was namelijk nog nooit gebleken dat sprake was van misbruik van de aftrek van lijfrente-premies. De voorgestelde onbeperkte aftrek wees zelfs op het tegendeel.

Nu wordt niet alleen de lijfrente-aftrek van fl.17.116 teruggebracht tot fl.10.000, maar wordt ook het nieuwe regime opgedrongen aan een ieder die na 16 oktober een lijfrente-overeenkomst sluit. Wel wordt voor degenen die onvoldoende oudedagsvoorzieningen hebben getroffen nog de mogelijkheid geboden van een iets hogere lijfrente-aftrek. Het is echter zeer de vraag of deze aanvullende aftrekken afdoende zullen zijn om ieder die dat wenst in staat te stellen een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen, zeker nu ook daaraan weer allerlei beperkingen verbonden zijn.

Deze gang van zaken roept een groot aantal principiele bezwaren op. Het nieuwe, zeer ingrijpende voorstel komt op de valreep van de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer. In dit stadium van de parlementaire behandeling zullen maatschappelijke organisaties derhalve nauwelijks in staat zijn het voorstel te becommentarieren. Ook de Tweede Kamer zal moeite hebben alle consequenties te doorgronden. Aanvaarding van deze voorstellen zal zeker leiden tot een onzorgvuldige wetgeving: aan de ene kant gaten, aan de andere kant onrechtvaardigheid. De gevolgen van overhaasting en weinig doordachte fiscale wetgeving zijn dagelijks merkbaar in het maatschappelijk leven. Zo zijn de tweeverdienersregeling en de WIR-premieregeling ondanks herhaaldelijke reparatie binnen enkele jaren als ondeugdelijk uit de fiscale wetgeving geschrapt.

Een tweede bezwaar is dat het regeringsvoorstel van juli 1989 niet alleen in een onbeperkte lijfrente-aftrek voorzag, maar ook een groot aantal klemmende bepalingen bevatte die nu eenmaal nodig waren om misbruik van de onbeperkte lijfrente-aftrek te voorkomen. Zo zijn er alleen al zes verschillende vormen van lijfrenten voorgesteld, die elk van een wettelijk keurslijf zijn voorzien. Deze keurslijfbepalingen, maar ook de anti-emigratiebepalingen, hebben door het vervallen van het natuurlijk maximum nu goeddeels hun zin verloren. Als deze bepalingen niettemin gehandhaafd zouden blijven, ontstaat een onevenwichtige wettelijke regeling.

Een derde bezwaar vormt de omstandigheid dat het ministerie van financien als een dief in de nacht, net als destijds bij afschaffing van de WIR, met deze regeling is gekomen. Belastingbetalers mochten er tot maandag jongstleden op vertrouwen dat voor 31 december 1990 gesloten contracten zouden worden gerespecteerd. In een brief aan de Tweede Kamer van 4 december 1989 had de staatssecretaris van financien namelijk aangekondigd de nieuwe wettelijke regeling met inbegrip van een eerbiedigende werking van bestaande contracten pas te laten ingaan op 1 januari 1991. De minister van financien heeft dit vertrouwen ernstig geschonden. Eens te meer geeft hij aan dat hij de rechtszekerheid van burgers ondergeschikt maakt aan een vermeend budgettair voordeel. Zodra de overheid als wetgever in belastingzaken optreedt lijkt het erop dat rechtsbeginselen vogelvrij zijn.

Dit optreden kan onmogelijk bijdragen aan het rechtsgehalte van onze samenleving en lokt anderzijds reacties van de belastingbetaler uit die nooit ten voordele van 'srijks schatkist kunnen zijn. Zo zullen belastingplichtigen, zodra een bepaald lek gesignaleerd is, daarvan zo snel mogelijk gebruik gaan maken, omdat het anders morgen wel eens te laat kan zijn. Een ander, niet minder groot bezwaar is dat men in feite elke morgen in de krant moet kijken of de belastingdruk niet weer is verhoogd. Opvallend is dat het Parlement in de regel met uitzondering van de Eerste Kamer dit regeren bij decreet tolereert. Wat in Rusland lijkt uit te sterven wordt hier om wille van de schatkist omhelsd.

De voorgestelde wijzigingen van het lijfrente-regime, maar ook van andere aspecten van de Brede Herwaardering, zijn zo ingrijpend dat deze een nadere bezinning verdienen. Het lijkt dan ook bijna onontkoombaar dat maatschappelijke organisaties en de wetenschappelijke wereld om commentaar worden gevraagd. Het vragen om een dergelijk advies en commentaren zal een vertraging van deze wetgeving tot gevolg hebben, met alle budgettaire gevolgen vandien. Naar ik meen zal minister Kok dat ongemak maar moeten aanvaarden als zijn natuurlijk maximum.