Spiritualiteit gepaard aan dichterschap; Huub Oosterhuisdrukte stempel op de liturgie

Na een uitvoerig onderzoek naar zijn politieke en theologische opinies werd Huub Oosterhuis 25 jaar geleden benoemd tot assistent-studentenpastor in Amsterdam. Hij was toen al jaren als tekstschrijver en ontwerper van een nieuwe liturgie betrokken bij de studenteneclesia, in 1960 opgericht door pater J. van Kilsdonk S. J. In 1969 werd hij wegens zijn afwijkende opvattingen binnen een kwartier uit de Jezuietenorde ontslagen. De 'Paus van Amsterdam', zoals hij door sommigen wordt genoemd, heeft intussen een onuitwisbaar stempel gedrukt op de nieuwe Nederlandstalige liturgie. Hij is veeleisend en aimabel tegelijk. Naaste medewerker Kees Kok: 'Huub kan niet onder een bepaald niveau denken en werken.'

De stencilmachine draaide op volle toeren. Het boekje 'Une eglise pour liberer le monde' moest af en diezelfde nacht klaar gemaakt worden voor verzending naar Rome waar op 3 oktober 1969 de schaduwsynode zou beginnen. De Amsterdamse studentenpastor Huub Oosterhuis en Jan Ruyter, toen kapelaan in Beverwijk, raapten de stapels papier.

Ruyter: 'We hadden vreselijke haast. Ik moest weg om de tickets te kopen en Huub moest de boekjes verzendklaar maken en de vrachtbrief verzorgen. Huub werd steeds zenuwachtiger. Dit werk paste niet bij zijn dichtersnatuur. Het was ook een uitzondering dat hij achter de stencilmachine stond.'

Liever maakte hij poezie. Als jongetje van tien was hij daar al mee bezig. In de Thomaskerk in Amsterdam dichtte hij in 1943 zijn eerste versregels: Maria, zie op uw kinderen neer Bescherm ze tegen gevaren Demensen zijn zo uitgeput, ze hebben zo grote bezwaren

De Thomaskerk stond op een steenworp afstand van zijn ouderlijk huis. Hij groeide met zijn oudere broer en twee zusjes op in een open katholiek gezin. Zijn vader was acountant. Hij stamde uit een geslacht met een doperse traditie. 'De hierarchie binnen de rooms-katholieke kerk was geen deel van het geestelijk erfgoed van mijn vader.' Die discussieerde regelmatig met zijn protestantse neef over de hete hangijzers van het geloof.

Oosterhuis ging al vroeg graag naar de kerk. Hij was er kind aan huis. Vooral de intimiteit en de warmte trokken hem aan. De kinderlijke dromen van een jongen die priester wilde worden verdwenen toen hij naar het Ignatiuscollege ging. Dit jezuietencollege was destijds de enige katholieke middelbare school in Amsterdam.

'Een beetje ontoegankelijke jongen. Hij had iets aristocratisch over zich, ' herinnert zijn godsdienstleraar pater J. van Kilsdonk zich. Oosterhuis: 'Ik heb dat nooit als iets negatiefs ervaren. Ik vind dat mensen een bepaald soort ontoegankelijkheid jegens elkaar moeten hebben. Iedereen die me vinden wil, weet me te vinden.'

Bijvoorbeeld zijn mede-scholier Ton Regtien, bestuurslid van de Academie, de cultureel-literaire club op het Ignatius. Toen er een nieuwe voorzitter moest komen maakte Oosterhuis weinig kans: de meeste leerlingen vonden hem te ontoegankelijk. Maar Regtien achtte hem geknipt voor die functie en wist het zo te regelen dat Oosterhuis niet alleen in het bestuur kwam maar ook voorzitter werd.

Van Kilsdonk wist dat de 16-jarige voorzitter niet alleen de hamer hanteerde, maar ook de pen. Via klasgenoten kreeg hij een paar gedichten van zijn leerling onder ogen. 'Het was voor mij wel duidelijk dat deze knaap niet maar wat rijmelde.' 'Deze knaap' had twee jaar eerder het besluit had genomen dichter te willen worden. Hij lag toen met een gebroken nek in het ziekenhuis. 'Ik had het idee dat ik in een wagentje zou komen. Dat is niet gebeurd. Ik heb het gevoel dat ik anders uit het ziekenhuis kwam dan ik er in ging. Toen ik eruit kwam wist ik heel zeker dat ik gedichten wilde schrijven, dat ik als schrijver wilde leven.'

Parallel aan zijn ontluikende dichterschap ontwikkelde zich een gevoel voor spiritualiteit. In de loop van zijn laatste schooljaar werd het hem duidelijk dat hij priester wilde worden. Toetreding tot de Jezuietenorde lag voor de hand: hij was vertrouwd met dit milieu, de intellectuele uitdaging sprak hem aan en hij werd geboeid door het idee in broederschap samen iets te maken. Het reguliere studentenleven met zijn onvermijdelijke kroegjolen zag hij bovendien als een lege wereld.

Na twee jaar noviciaat ging hij in 1955 filosofie studeren aan het Philosophicum, een Jezuietische hogeschool in Nijmegen. Bij zijn studiegenoten had hij al snel de naam iemand te zijn die wist wat hij wilde. Ton Veerkamp, nu studentenpastor in Berlijn: 'Hij had een sterke persoonlijkheid. Er waren nogal wat mensen bang voor hem.' Oosterhuis ontpopte zich als een van de voortrekkers van een beweging die de verstarde structuren wilde doorbreken. 'Wij behoorden tot de generatie die heeft afgerekend met de levensstijl die tot dan toe gebruikelijk was bij de Jezuieten. Wij sloten wel vriendschappen met elkaar en wij gingen discussies over allerlei onderwerpen niet uit de weg.'

Tot ongenoegen van zijn overste. Die stuurde Oosterhuis na drie jaar tegen diens zin naar Groningen om Nederlands te studeren. Daarnaast werd hij ingeschakeld op het plaatselijk Jezuietencollege: hij paste op het internaat en regisseerde toneelvoorstellingen. De prefect van het internaat verzocht hem de zondagavonddienst nieuw leven in te blazen. Zijn eerste echte kerklied zag in Groningen het licht: 'Zolang er mensen zijn op aarde.'

Hij verplaatste zijn werkterrein naar Amsterdam waar Van Kilsdonk in 1960 de studenteneclesia had opgericht. Oosterhuis werkte van het begin af mee aan de vormgeving van de liturgie. Zijn teksten werden door Bernard Huijbers van muziek voorzien. Van Kilsdonk: 'Huub besefte dat de Latijnse liturgie op haar einde liep en er was voor hem geen ander alternatief dan zelf vorm te geven aan een nieuwe liturgie in de Nederlandse taal.'

Zijn werk sloot aan bij de opvatting van het Tweede Vaticaans Concilie dat de volkstaal de plaats van het Latijn in de liturgie wilde laten innemen. Oosterhuis: 'Ik dacht: het celibaat gaat er natuurlijk ook aan. Tot ongeveer 1970 was ik er vrijwel zeker van dat het zou worden afgeschaft.' Het concept van het celibaat had hij al voor zijn priesterwijding, in 1964, afgeschreven. Maar in de tweede helft van de jaren zestig stokten de revolutionaire ontwikkelingen binnen de rooms-katholieke kerk. Van bovenaf werd bepaald dat de koppeling van het priesterambt met het celibaat gehandhaafd moest blijven. Maar toen studenten-pastor Jos Vrijburg aankondigde te willen trouwen en in functie te willen blijven besloot de Amsterdamse studenteneclesia dat dat moest kunnen.

Een frontale botsing met Rome en met de Nederlandse bisschoppen was onvermijdelijk. Even onvermijdelijk was Oosterhuis' ontslag uit de Jezuietenorde in 1969. Een jaar later trouwde hij, ging in Hem wonen, een plaatsje in Noord-Holland en bleef voorgaan in de eucharistie: voor het Nederlandse bisschoppencollege reden om hem te ontslaan. De studenteneclesia werd uit de Ignatiuskapel gezet en kreeg geen geld meer van het bisdom Haarlem. De eclesia brak niet met de kerk, maar besloot buiten verantwoordelijkheid van de bisschop door te gaan. Ze huurde ruimte in de Nederlands-Hervormde Amstelkerk en kocht twee jaar later een grachtenpand: De Populier.

Ex-jezuiet Ton van der Stap: 'Ik was daar medewerker. We organiseerden samen leerhuizen. We nodigden theologen uit, politici en schrijvers. Voor mij was duidelijk dat wat we in De Populier deden identiek was aan de ideeen en de ontwikkeling van Huub zelf. Zijn prediking tendeerde in die dagen sterk naar een socialistische maatschappij-analyse.' Oosterhuis: 'Een kerkelijke gemeente moet volgens mij open staan voor elke relevante maatschappelijke discussie. Mensen die alleen maar psalmen willen zingen kunnen ook elders terecht.'

De Populier had naast een godsdienstige ook een sociaal-culturele bestemming. Onder andere de Chili-beweging vond er onderdak. Oosterhuis werd voorzitter en moest in die functie laveren tussen geharde stalinisten en geengageerde christen-democraten. De toenmalige secretaris van de Chili-beweging, Herbert Koobs: 'De tegenstellingen waren vaak onoverkomelijk. Huub neutraliseerde bijvoorbeeld conflicten over de mensenrechten door te zeggen: sommigen van ons willen de mensenrechten in het Oostblok aan de orde stellen maar we zijn hier bijeen om te protesteren tegen de vertrapping van de mensenrechten in Chili. Dat is typisch Huub: hij noemt het wel, maar zijdelings en houdt op die manier mensen bij elkaar.' Max Arian, toen Chili-activist: 'Hij was bevlogen, poetisch, op het demagogische af. Er zit een zuigkracht in hem die hij ook uitbuit. Ik heb wel eens gedacht: gaan zijn woorden niet met hem op de loop, betekenen ze nog wel wat?'

Niet voor het gros van de literaire critici. Gerrit Komrij bijvoorbeeld betichtte in 1975 de dichter Oosterhuis van 'kinderlijk gestamel'. De poezie-recensent van Trouw, R. K. L. Fokkema, daarentegen noemde Oosterhuis' bundel 'Gedroomde god' uit 1984 'van uitzonderlijke gehalte'. 'Soms bereikt Oosterhuis de diepzinnige eenvoud van Nijhoff (...) zoals hij in zijn rijmtechniek de middeleeuwse eenvoud evenaart', aldus Fokkema.

Sinds tien jaar staat Oosterhuis aan het hoofd van de stichting Leerhuis en Liturgie, proeftuin voor nieuwe liturgische teksten. Aanvankelijk gehuisvest in De Populier heeft de stichting nu onderdak gevonden in De Rode Hoed, centrum voor religieuze cultuur. Herbert Koobs: 'Door de jaren heen merkte ik dat zijn belangstelling toch in de eerste plaats ligt bij de kerk, bij leerhuis en liturgie en bij zijn eigen poezie. Zijn politieke betrokkenheid is altijd een afgeleide daarvan geweest.' Gerard Smink, voorzitter van het Chili-comite: 'Wij vonden hem een politieke softie, te braaf. Maar bij de jaarlijkse herdenking van de september-coup in Chili was hij wel de spreker die voor iedereen acceptabel was.'

Hoewel Oosterhuis door de 'officiele kerk' wordt doodgezwegen, behoren zijn teksten in vrijwel alle Nederlandse kerken tot het standaardrepertoire. Van Kilsdonk: 'Van de 250 teksten van Oosterhuis beschouw ik er zo'n 30 nu al als klassiek. Ze staan op dezelfde hoogte als de Oosters-orthodoxe, de Anglicaanse en de klassiek Romeinse liturgie.'