Saddam Husseins ambities blijven dodelijk gevaar

Het krachtige optreden van president Bush in de crisis over Koeweit leek tot voor kort in eigen land nauwelijks kritiek te ondervinden. In het Amerikaanse Congres bestond groot respect voor de wijze waarop hij erin was geslaagd een nagenoeg de gehele wereld omvattende coalitie tegen Irak tot stand te brengen. Opiniepeilingen eind augustus, dus na het besluit van Bush om een massale troepenmacht naar het Midden-Oosten te zenden, wezen uit dat 75 procent van het electoraat zich achter de president opstelde. Een maand later was dit beeld niet wezenlijk veranderd.

Sinds kort valt echter een duidelijke kentering waar te nemen. Naarmate de speculaties over een naderend Amerikaans militair optreden toenamen, groeide de kritiek. In de tweede week van oktober wees een New York Times/ CBS-opiniepeiling uit dat het percentage van ondervraagden die meenden dat Amerika zich buiten het conflict had moeten houden, van twintig naar tweeendertig procent was geklommen. In het afgelopen weekeinde werden in vijftien Amerikaanse steden demonstraties tegen militair ingrijpen in de Golf gehouden. Massaal waren ze nog niet, maar het veranderende beeld van de opiniepeilingen doet toch de vraag rijzen of dit niet duidt op de opkomst van een anti-oorlogsbeweging vergelijkbaar met die in de Vietnam-jaren. Dit alles is des te bedenkelijker voor Bush, omdat hij door zijn zwak en inconsistent optreden in de crisis over de begroting in de afgelopen weken aan veel gezag en prestige heeft ingeboet. Ook het Congres, steeds sterk gevoelig voor stemmingswisselingen onder de bevolking, laat zich nu meer met het Koeweit-beleid in en dringt erop aan dat de beslissing over oorlog of vrede niet een van de president alleen zal zijn.

Washington blijft hopen dat maximale politieke druk en economische sancties Irak ertoe zullen brengen tot onvoorwaardelijke ontruiming van Koeweit over te gaan. Maar voor de nabije toekomst lijken de kansen daarop eerder geslonken dan vergroot. De groeiende oppositie in Amerika tegen de optie van een militaire actie en de spanningen tussen Washington en de Arabische landen rondom de Veiligheidsraadresolutie over een VN-onderzoekscommissie naar Israel zullen Saddam Hussein ongetwijfeld hebben bemoedigd. Dit sluit overigens niet uit dat hij, zoals hij ook tegenover de Sovjet-afgezant Primakov heeft gedaan, de indruk zal proberen te blijven wekken dat wellicht met hem te praten valt. Zo zou hij kunnen proberen het bondgenootschap tussen Washington en de gematigde Arabische landen op de proef te stellen door te zinspelen op de mogelijkheid dat zijn bereidheid tot concessies over Koeweit zou kunnen toenemen als de Palestijnse kwestie een grotere prioriteit op de wereldagenda zou krijgen.

President Bush staat nu voor een uitermate moeilijk dilemma. Nu de Amerikaanse strijdkrachten in het Midden-Oosten blijkbaar op de beoogde sterkte zijn gebracht, is een mogelijke optie een militair ingrijpen nadat de verkiezingen voor het Congres begin november achter de rug zijn, en voordat de opkomende vredesbeweging hem verder in zijn bewegingsvrijheid dreigt te gaan hinderen. Als de oorlog weinig mensenlevens zou vergen en in een week zou zijn beslist, dan zou Bush ongetwijfeld als een held worden gevierd. Maar zou het pleit inderdaad in enkele dagen kunnen worden beslist? De operaties tegen de slechts tot zwakke weerstand in staat zijnde Noriega in Panama bleken verre van pijnloos te verlopen. Bush zal bovendien, om de anti-Irak-coalitie niet te splitsen, machtiging van de Veiligheidsraad moeten zien te krijgen. Zullen daar dan niet stemmen opgaan, bij voorbeeld van de Sovjet-Unie en Frankrijk, dat toch in elk geval wat langer moet worden afgewacht of de druk van de sancties ten slotte Saddam Hussein zal doen buigen?

Maar ook uitstel levert risico's op. Zo rijst de vraag of de anti-Irak-coalitie bijeen zou kunnen worden gehouden. De escalatie van spanningen over de Palestijnse kwestie, die zich naar te vrezen valt in de komende maanden zal voortzetten, maakt het voor de gematigde Arabische regimes steeds moeilijker om het bondgenootschap met Amerika te handhaven of zelfs westelijke strijdkrachten op hun grondgebied te aanvaarden. Zoals het die landen tegelijkertijd steeds moeilijker maakt op een, voor hun eigen volken geloofwaardige wijze voor de Palestijnen op te komen. De Iraakse propaganda dreigt dan steeds meer vat op de Arabische volksmassa's te krijgen.

Toch lijkt het niet onwaarschijnlijk dat Bush, zonder de optie van geweld uit te sluiten, voorshands daartoe niet zal overgaan, in de hoop dat naarmate de maanden verstrijken, de sancties niet alleen de Iraakse economie zullen ondermijnen, maar ook zullen bewerkstelligen dat de Iraakse oorlogsmachine in belangrijke mate verlamd raakt.

Het neo-isolationisme, dat zich thans in de rechtervleugel van de Amerikaanse republikeinse partij manifesteert, gaat er vanuit dat in het Koeweit-conflict geen wezenlijke Amerikaanse belangen op het spel staan. Dat is een uiterst kortzichtige visie. Het is misleidend te stellen dat herstel van het gezag van de feodale heersers van Koeweit geen enkel offer waard is. Waar het in wezen om gaat is dat de machtspretenties van Saddam Hussein een dodelijk gevaar betekenen. Als hij ongeschonden uit deze krachtmeting komt, dan dreigt het Arabische nationalisme zich om hem heen te gaan groeperen. Dit is niet alleen bedreigend voor de toekomstige olievoorziening van het Westen. Dit betekent vroeger of later ook wel haast onvermijdelijk een gewapend conflict tussen het met chemische, en straks wellicht ook nucleaire, wapens uitgeruste Irak en het nu reeds over een nucleair potentieel beschikkende Israel, met alle onvoorzienbare consequenties vandien. Een dergelijke ramp te voorkomen, is zeker offers waard.