Hongaarse boeren stuiten op EG-muren; Wij hebben handelnodig, geen cliches over solidariteit tussen Oost en West

BOEDAPEST, 22 okt. Toen een delegatie van Franse parlementariers eerder dit jaar een staatsboerderij nabij de Hongaarse hoofdstad Boedapest bezocht, vlogen de cliches over solidariteit tussen Oost- en West-Europa als serpentines door de plattelandslucht. Maar toen de Fransen bij hun afscheid een heuse tractor aanboden, kon er bij de directeur van het bedrijf alleen een plichtmatig knikje af. 'Zij denken dat wij de Derde wereld zijn', sneerde hij na afloop. 'Wij hebben handel nodig, geen tractor.'

De Europese Gemeenschap heeft de zich liberaliserende Oosteuropeanen overladen met loftuitingen en toezeggingen voor technische bijstand en kredieten. Maar tegelijkertijd lopen de bejubelde Oosteuropeanen vergeefs storm tegen de veelheid van handelsbarrieres van importrestricties tot produktie- en exportsubsidies waarmee dezelfde EG-landen hun boeren beschermen.

Nu veel van hun industriele bedrijven in slechte conditie verkeren, hebben de Oosteuropeanen de buitenwereld op dit terrein niet bijster veel te bieden. Maar voedselprodukten hebben zij wel. Hun agrarische produktieniveau is na 45 jaar van communistisch bewind weliswaar ondermaats het ligt zo'n 30 tot 40 procent onder dat van de EG-landen maar de Oosteuropeanen bewerken gronden die tot de vruchtbaarste van de wereld behoren. En zij hadden al een lange traditie als agrarische exporteurs opgebouwd voordat de plagen van de centrale planeconomie uitbraken.

Landbouwdeskundigen van de OESO (Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling) houden daarom voor het komende decennium bij voortgaande hervorming en privatisering serieus rekening met een drastische opleving van de Oosteuropese landbouw. Ook wordt grote vooruitgang verwacht in de voedselverwerkende industrie die Westerse investeerders reeksen kansen biedt. De landbouw is daarmee een sector waaruit landen als Hongarije de broodnodige middelen kunnen putten om te betalen voor de exploderende energierekeningen en voor de kosten van reconstructie. Dat veronderstelt natuurlijk het vinden van exportmarkten waar harde valuta is te verdienen. En op dat punt doemen de problemen op.

'West-Europa vormt een natuurlijke markt voor ons voedsel', zegt Karoly Oelberg, chef internationale zaken bij het ministerie van landbouw in Boedapest. 'Helaas beperken de EG-tarieven en quota's onze herstel- en ontwikkelingsmogelijkheden.' In l988, zo legt hij uit, mochten Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije gezamenlijk voor slechts twee miljard dollar aan landbouwprodukten op de gigantische EG-markt afzetten 3 procent van de totale voedselimporten van de Gemeenschap. Sindsdien verhoogden de Europese bureaucraten in Brussel weliswaar enkele importquota voor Hongaarse en Poolse produkten, maar veel zoden zette dat niet aan de dijk. Oelberg: 'Daar komt bij dat onze voedselexporten naar de voormalige DDR met de eenwording op slag zijn weggevallen. En naar de overige Oosteuropese landen en de Sovjet-Unie zijn zij verminderd door de economische problemen aldaar. Wij dreigen zo klem te raken tussen chaos in het Oosten en handelsmuren in het Westen. Dat is ernstig want de landbouw verzorgt tot nu toe een derde van onze totale export'.

Over het laatste plan van de Europese Commissie om de tariefmuren van 1986 tot 1996 met 30 procent te verlagen waar de meeste EG-staten zich overigens fel tegen blijven kanten is Oelberg nauwelijks te spreken. 'Het blijft allemaal te zelfzuchtig.' Kan Oost-Europa naar het voorbeeld van de Verenigde Staten niet meer druk op Brussel uitoefenen? Oelberg zegt hoofdschuddend: 'De Oosteuropese staten zijn door de grote economische problemen nu zeer met zichzelf bezig. Ook zijn er in Oost-Europa natuurlijk belangrijke verschillen in ontwikkeling. Dat hindert tot nu toe een meer eensgezinde en krachtige Oosteuropese opstelling'.

Zijn advies aan Hongaarse boerenbedrijven die de handelsbarrieres in westelijke richting willen omzeilen: sluit zo snel mogelijk een joint venture met een Westeuropees bedrijf.

Meer gespierde taal valt te vernemen uit de mond van een andere topambtenaar. Hij wil dan ook onbekend blijven. 'Het EG-protectionisme zou misschien nog te verdedigen zijn', zo zegt hij, 'als de landbouw echt een vitaal onderdeel van de Westeuropese economie zou vormen. Maar in Engeland en Duitsland vertegenwoordigt de agrarische sector nog maar 2 procent van het bruto nationale produkt en in geen enkel ander EG-land is dat meer dan vijf procent. Bij ons is de landbouw nog altijd goed voor 20 procent van het totale nationale inkomen.' Hij meent dat het EG-landbouwbeleid feitelijk neerkomt op een hulpprogramma van 60 miljard dollar per jaar aan 10 miljoen politiek invloedrijke boeren van wie velen allang ander werk hadden moeten zoeken. Zijn conclusie: 'De politieke muren in Europa mogen dan zijn gevallen, die op de voor ons vitale voedselmarkten blijven overeind'.

Dr. Peter Balazs, directeur-generaal van het ministerie van internationale economische relaties, toont meer diplomatie. Had hij na de vele woorden van solidariteit uit West-Europa meer concrete daden verwacht bij het afbreken van agrarisch protectionisme? De glimlachende Balazs zegt: 'Ik heb vijf jaar in Brussel gewerkt en ik weet waar alles uiteindelijk om draait'. Eigenbelang dus. Hij vervolgt: 'Toch hadden wij hoop op een grotere afbraak van de handelsbarrieres dan de Europese Commissie nu heeft gesuggereerd en die veel EG-landen blijkbaar nog te ver gaat. Deze barrieres compliceren ons proces van reconstructie'.

Volgens Balazs oefent Hongarije een bescheiden druk uit op Brussel en is het voor het overige afwachten geblazen. 'De kwestie zal uiteindelijk tussen Brussel en Washington worden geregeld', meent hij. Meer dan in confrontatie met de EG ziet directeur-generaal Balazs soelaas in toenadering en 'als het even kan, toetreding tot de Gemeenschap'. Hij vertelt: 'Wij rekenen per 1 januari 1992 op een associatieverdrag. Daardoor krijgt toekomstig handelsoverleg tussen Hongarije en de EG meer kans van slagen'. Een volledig EG-lidmaatschap kan, volgens Balazs echter nog jaren op zich laten wachten. 'Natuurlijk willen wij dat op termijn zeker, en het zou onze agrarische exportproblemen met de EG direct oplossen', verzekert hij. 'Maar eerst moeten wij hard aan onszelf werken, onze produktiestructuren en onze produkten verbeteren. Wij zitten nu nog op de begane grond en dan is het moeilijk in een keer naar de vijfde verdieping te springen.'