Hoe maakbaar is de Partij van de Arbeid ?

Ongeveer op hetzelfde moment dat haar fractievoorzitter zich in Eindhoven met aplomb verzette tegen de gewoonte om voor alle belangrijke vraagstukken een commissie van wijze mannen in te stellen, werd de oprichting van een commissie ter vernieuwing van de Partij van de Arbeid wereldkundig gemaakt. En de redenen om deze stap te zetten zijn al niet veel anders dan die gelden voor de reeks adviescommissies die van rijkswege wordt ingesteld, namelijk het falen van politici om keuzen te maken die ook in het eigen vlees snijden. Want hoe men ook tegen de commissie-Van Kemenade aankijkt, zij is voor alles het tastbare bewijs van het onvermogen van de huidige leiding van de sociaal-democraten. Na drie eerdere commissies en een al vier jaar durende zelfkwelling is men er niet geslaagd enkele pijnlijke oordelen te vellen. Wie zijn eigen huis niet eens van een nieuw behang weet te voorzien, verliest het recht om zich te ergeren over de misstanden op de stoep.

De commissie die een aardige afspiegeling is van de connecties van haar voorzitter in het land der sociologen wordt geacht volgend jaar omstreeks de zomer haar bevindingen te presenteren, die dan in het najaar op een bijzonder congres worden besproken. Deze planning is op zichzelf al merkwaardig, want het partijbestuur toch het eerst verantwoordelijk voor de impasse laat zich herkiezen in het voorjaar.

De omgekeerde volgorde eerst een inhoudelijke en organisatorische balans en dan op basis daarvan verkiezingen had meer voor de hand gelegen. Slechts een enkeling heeft de eer aan zichzelf gehouden en zal zich niet herkiesbaar stellen. Maar het merendeel van de bestuurders is zich van geen kwaad bewust en leeft in de veronderstelling dat de instelling van een commissie met een drietal dissidenten al een daad van grote moed is.

Waarom zeurt de twijfel bij de sociaal-democraten eigenlijk zo lang door ? Het is wel begrijpelijk dat men vasthoudt aan ingesleten patronen, zolang de roep om vernieuwing niet veel heeft opgeleverd. Een partij kan, net als elke organisatie, niet leven in een voortdurende identiteitscrisis, hoe gerechtvaardigd die in dit geval ook is.

Ik denk dat men uiteindelijk terugschrikt voor de consequenties van een werkelijke ontzuiling van de partij. Want gemorrel aan het traditionele zelfbeeld zal op den duur ook het bestaansrecht van de sociaaldemocratie als onderscheiden politieke stroming op de tocht zetten. Een 'interne' ontzuiling zal in het kielzog een 'externe' ontzuiling met zich meebrengen.

Wat de inwendigheid van de PvdA aangaat is eenvoudig vast te stellen dat het maatschappelijke pluralisme zich weerspiegelt in de samenstelling van het ledenbestand en het electoraat. De PvdA is geen partij van of namens de Arbeid meer. Niet alleen heeft een groot aantal arbeiders zich altijd al tot de christelijke partijen aangetrokken gevoeld, ook de PvdA zelve is in groeiende mate een ambtenaren- en intellectuelenpartij geworden. De 'sociologische' en 'psychologische' ondergrond van de sociaal-democratie is minder dan ooit op een noemer te brengen.

Die vervagende identiteit tracht men te bestrijden door zich op te werpen als zaakwaarnemer van de 'zwakken' en de 'minima'. Nog afgezien van het feit dat de betrokkenen doorgaans met deze neerbuigende kwalificaties moeite hebben, beantwoordt deze beperkte denkwereld geenszins aan de dwingende maatschappelijke vragen die zich aandienen. Misschien passen die niet in het verzuilde vocabulaire van de sociaal-democratie. Maar van de omwentelingen in Oost-Europa tot het vraagstuk van etnische minder- en meerderheden, van de slecht functionerende justitiele macht tot de problemen van medische ethiek, zou men toch meer inspirerende antwoorden verwachten van een partij die zich bij uitstek als hervormingsgezind presenteert. In de speelruimte voor 'nieuw beleid' gaan miljarden naar herstel van de koppeling en nog geen honderd miljoen naar Oost-Europa; een hemeltergend gebrek aan visie.

Een herwaardering van prioriteiten heeft gevolgen voor de verhouding tot de buitenwereld. De wezenlijke vraag die men zich zou moeten stellen is of men de partij uiteindelijk als een doel in zichzelf ziet of als een middel tot maatschappelijke hervorming en beheer. Is men overtuigd van het laatste dan is enige twijgel gerechtvaardigd over de toekomst van de sociaal-democratie als zelfstandige stroming.

Dat is geen nieuwe gedachte. Het is alweer even geleden dat het project van de Progressieve Volks Partij het samengaan van PvdA, D'66 en PPR heftig werd beleden en snel werd begraven. Is het zo gek om te veronderstellen dat begin jaren zeventig deze gedachten te vroeg kwamen en bovendien in het teken stonden van de misvatting van een progressieve meerderheid? En is het zo gek om nu te vragen naar wat D66, PvdA en Groen Links in principe nog gescheiden houdt ?

D66 en Groen Links die beide hun grondslag vinden in het idee van politieke vernieuwing en hergroepering zouden haast van nature in een dergelijk debat geinteresseerd moeten zijn. Natuurlijk zullen de bedenkingen aan deze kant legio zijn: D66 likt zijn wonden van de kabinet-formatie en Groen Links is gepreocupeerd met zichzelf en beide wantrouwen de brede ellebogen der sociaal-democratie. Maar kunnen ze zich op termijn tevreden stellen met het afgrazen van hun beperkte kiezers-wei ?

Alle drie deze partijen lijken tot elkaar veroordeeld te zijn. In onderscheiden mate, dat wel. Maar geen van de drie kan hopen op eigen kracht een doorslaggevende rol te spelen in de Nederlandse politiek. En op eigen kracht zullen ze er niet in slagen voldoende nieuwe inzichten voort te brengen. Waarom? Omdat ze hebben nagelaten dat te doen, wat de drie confessionele partijen in doodsnood wel hebben gedaan, namelijk: een vergaande relativering van de scheidslijnen.

Zou een dergelijke samenwerking hand in hand moeten gaan met een herleving van het streven naar tweedeling van de Nederlandse politiek? Anders gezegd: is de bereikte normalisering van de verhouding met het CDA te verzoenen met een intensief overleg tussen de hervormingsgezinde partijen ? Ik denk van wel. De metafoor van de tweedeling en het meerderheidsstreven waren vooral geboren uit onzekerheid over de wervingskracht van het eigen programma. Het vermogen om enigermate overtuigende antwoorden te geven op de brandende kwesties van deze tijd moet meer waard zijn dan de macht van eenenvijftig procent. Zeker in een land waar de macht zo gespreid is als in Nederland.

Uiteindelijk komt het erop neer waar men zich bij voorkeur beweegt: in de beschutting van het eigen gelijk of in de 'guurte' van het openbare debat? Blijft men bij de overzichtelijke electorale rivaliteit of aanvaardt men het risico van samenwerking waarbij onderling de programma's werkelijk op de proef worden gesteld?

Wie de zwaarlijvigheid van de sociaal-democraten kent zal de kans dat deze over hun eigen omheining heen springen niet hoog aan slaan. De fractievoorzitter pleit voor 'eerherstel van de politiek', maar weigert de normen van maakbaarheid en hervromingsgezindheid die hij die samenleving voorhoudt op zijn eigen partij te betrekken en zal dus door niemand worden geloofd.

Zou er dan toch een commissie van wijze mannen en vrouwen nodig zijn?