De ondoorzichtige hoeveelheid functies aan de universiteit; De ene hoogleraar is de andere niet

Regelmatig blijkt dat er verwarring heerst over de positie van hoogleraren en de in deze functionarissen belichaamde relatie tussen universiteit en maatschappij. Van de universitaire wereld uit gezien, identificeert men in het maatschappelijk leven representanten van de universiteit wel eens al te gemakkelijk met de universiteit. Bijvoorbeeld in: 'Een onderzoek van de Erasmus Universiteit te Rotterdam heeft aangetoond dat... ', wanneer het gaat over resultaten van twee onderzoekers die aan die universiteit zijn verbonden. Anderzijds moet het er voor velen op gaan lijken dat de hoogleraren bij de universiteiten een verzameling zijn van (ex)-ministers, rechters en wat niet al, die in het wetenschappelijke vlak (en natuurlijk ook financieel, zal men vermoeden) een graantje meepikken. Dit geldt niet alleen voor hoogleraren, maar ook voor andere universitaire functionarissen, maar eerstgenoemden weten nogal eens de aandacht te trekken door het doen van ferme uitspraken bij inaugurele redes en door van de hun rechtens verleende (overigens niet van rechtswege beschermde) titulatuur gebruik te maken bij openbaar optreden, helaas ook wel eens wanneer het geheel hun vakgebied niet betreft.

Dat dit alles meer op de voorgrond treedt dan 25 jaar geleden en er meer hoogleraren zijn dan ooit is vooral een gevolg van het bezuinigingsbeleid van het ministerie van onderwijs.

Een kwart eeuw geleden bestond het toenmalige docentencorps uit hoogleraren, lectoren en privaat-docenten (toen al een uitstervend ras; in de vroege jaren vijftig mochten deze niet van universiteitswege gehonoreerde functionarissen nog lesgeld heffen), naast de sedert de jaren zestig sterk opgekomen geleding van de wetenschappelijke (hoofd)medewerkers, thans universitaire (hoofd)docenten. Deze laatste groepering is uitgedund door het massaal aanstellen van de assistenten in opleiding (AIO's), omdat de universitaire begrotingen niet mochten uitbreiden. Op de vaste kern, met allerlei niet-universitair personeel en natuurlijk het ondersteunend en beheers-personeel (OBP), rust het leeuwedeel van de dagelijkse taken van universitaire instituten.

Van oudsher werden de tot voor enkele jaren rechtstreeks door de kroon benoemde (en derhalve wel kroondocenten genoemde) hoogleraren en lectoren onderverdeeld in gewone en buitengewone, in het onvermijdelijke Latijn ordinarii en extraordinarii, en hiernaast de bijzondere hoogleraren en lectoren. Met de goedkope (want budgettair neutrale) omzetting van alle lectorsplaatsen in zogenoemde hoogleraarsplaatsen A werd een uitbreiding van het aantal hoogleraren met enkele honderden bereikt met een pennestreek en tegelijkertijd een nieuwe categorie hoogleraren geschapen naast de oude (thans B-) hoogleraren. In de A-rang worden tegenwoordig ook vele nieuwe hoogleraren benoemd om redenen die niet moeilijk zijn te bevroeden. De relatie tussen de beide categorieen nu verder buiten beschouwing latend, is het verschil tussen extraordinarius en ordinarius gebleven en worden om wederom te bevroeden redenen thans vaak deeltijdshoogleraren benoemd; dat zijn nu juist de extraordinarii die niet knapper of luier zijn dan ordinarii, maar zijn aangesteld voor bijvoorbeeld drietiende of viertiende werktijd en verder een functie vervullen bij een niet-universitair wetenschappelijk instituut of een maatschappelijke instelling. Op deze wijze en dat is indertijd ook goed overdacht wordt ook voorkomen dat een universiteit tot een geisoleerde en op den duur scheve toren wordt. De bezuinigingsgolven die de universiteiten hebben overspoeld, hebben het aantal extraordinarii doen toenemen, niet altijd in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van deze plaatsen, maar domweg om budgettaire redenen die op zichzelf verdedigbaar zijn.

Hiernaast is het vroeger vrijwel ingeslapen instituut van de bijzonder hoogleraar ontdekt, dat nog goedkoper blijkt. Een dergelijke functionaris die wel of niet aan een universitair instituut kan zijn verbonden, wordt aangesteld vanwege een stichting die een bepaald ideeel doel nastreeft en geniet geen enkele honorering vanwege de universiteit. Er is een curatorium dat moet toezien of betrokkene zijn of haar taken naar behoren vervult en de desbetreffende faculteit besluit tot toelating; de gehele aanstellingsprocedure is dus een geheel andere dan bij de ordinarii of extraordinarii.

Het betreft van huis uit een soort ere-functie met nauwelijks taken die vastliggen, die echter wel het ius promovendi (het recht om het doctoraat te verlenen) met zich draagt. Waar de in de jaren zestig wellicht wat royaal aangezette hooglerarenformatie als gevolg van de toen opkomende studentenvloed overal wordt gereduceerd, is het bijzonder hoogleraarschap vaak aangegrepen om personen in verschillende functies van binnen en buiten de universiteit te binden. Het is daarbij de vraag of, wanneer iemand uit het zakenleven of de industrie zulk een benoeming toevalt, er sprake is van een lieren van zulk een firma of bedrijf aan de universiteit, zoals nogal eens ook in deze krant losjes wordt gesteld.

Een geheel ander punt is dat het aantal bijzondere hoogleraren 25 jaar geleden nog een handjevol bij sommige faculteiten de helft of meer is gaan uitmaken van de hooglerarenbezetting. Voor de buitenwereld ontstaan hierdoor ondoorzichtige toestanden die tot misverstanden leiden. Hoe is het mogelijk allerlei zware maatschappelijke functies te bekleden en tegelijkertijd ook en passant hoogleraar aan een universiteit te zijn? Voor sommigen kan dit de indruk wekken dat het hoogleraarschap dan wel niet zo'n drukkende last zal zijn. Voor de buitenwereld is het dan niet steeds duidelijk dat het gaat om extreme verschillen met een scala van twintig of honderd uur tot ruim tweeduizend uur in universitaire functie per kalenderjaar. Waar in het buitenland verschillen in taak en aanstelling vaak in de titulatuur tot uiting komen met termen als associate professor, assistant professor en full professor (de bijzondere hoogleraar waarvan zojuist sprake was in de Nederlandse verhoudingen heeft daar veelal niet een duidelijke equivalent) lijkt hier weinig aandacht voor differentiatie in de aanduiding van een 'post' die een zware managersfunctie tot een gracieus gebaar kan omvatten met alles daartussenin. Vele universiteiten zijn zich inmiddels bewust geworden van een zekere scheefgroei die bijstelling behoeft en die tevens een verklaring vormt hoe de universiteiten schijnbaar tegen de verdrukking in groeien en dus nog wel verder gekort kunnen worden. Wanneer dit misverstand zich ook tot bepaalde Haagse kringen uit zou breiden, zou dit de universiteiten wel eens duur te staan kunnen komen.