WIELRENNEN

Nog een paar wedstrijden en het wielerseizoen 1990 is ten einde. De racefiets kan dan weer tot maart volgend jaar in het schuurtje. Wie nog wil nagenieten, kan een paar avonden besteden aan de onderhoudende monografie over de wielersport die Benjo Maso schreef onder de titel Het zweet der goden. Maso is behalve socioloog en Simenon-vertaler ook kenner van de wielrennerij. Hij staat in zijn boek vooral stil bij de merkwaardige symbiose van media, commercie en renners, die in deze sport vanaf het begin een bepalende en niet altijd even fraaie rol heeft gespeeld.

Tijdens de eerste jaren van de wielersport, die rond 1870 in Frankrijk ontstond, diende het publiek vooral overtuigd te worden van de zegeningen van het nieuwe vervoermiddel. Toentertijd was fietsen door de houten banden en het ontbreken van remmen tamelijk oncomfortabel en gevaarlijk. Bovendien vonden medici dat de voortdurende wrijving van het zadel tot het gevaar van permanente masturbatie leidde. Die bleke, uitgemergelde gezichten der wielrijders waren volgens hun geen toeval. Met de verdere technische ontwikkeling van de fiets kwam toch het gehoopte succes. Om de ongekende mogelijkheden van het vervoermiddel te tonen, organiseerde men monsterwedstrijden, zoals Bordeaux-Parijs die in 1891 voor het eerst werd gereden. Aanvankelijk trok men hier veel publieke belangstelling mee en de organiserende sportbladen zagen met genoegen hun oplage fors stijgen.

Zo kwam Henri Desgrange, hoofdredacteur van het sportblad L'Auto, in 1903 met een plan voor een meerdaagse wielerronde door Frankrijk. Zijn Tour de France zou binnen enkele jaren een enorm succes worden en leidde tot een nieuwe bloei van de wielersport. Zonder problemen is dat allemaal niet gegaan. Het enthousiaste publiek bemoeide zich soms actief met het wedstrijdverloop en strooide kopspijkers, glasscherven en andere ongemakken op de weg. Een enkele maal eindigde de aankomst van een etappe aankomst in een veldslag. Daarnaast had Desgrange rekening te houden met de rijwielfabrikanten, zonder wie hij geen Tour kon organiseren. De belangen der fabrikanten stemden slechts ten dele overeen met die van Desgrange. Hij wilde het liefst een spannende, individuele wedstrijd, zij trachtten juist zoveel mogelijk verrassingen uit te sluiten en waren voorstanders van het ploegensysteem. De Tour kende door deze omstandigheden dikwijls een oneerlijk verloop, maar overschaduwde niettemin alle andere wedstrijden.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog beleefde volgens Maso de wielersport het hoogtepunt van haar populariteit. Het publiek genoot van de geexalteerde verslagen over de duels tussen de Italiaanse campionissimi Fausto Coppi en Gino Bartali, 'de Hektor en Achilleus van onze tijd', volgens de romanschrijver Dino Buzzati in zijn verslag van de Giro d'Italia van 1949. En van de mooie Hugo Koblet werd gezegd dat zijn zweet niet stonk, want 'het zweet der goden bevat geen ureum'!

Door de komst van de tv veranderde de situatie. Kon een verslaggever vroeger een wedstrijd nog kunstmatig opkloppen, nu registreerde de tv genadeloos de saaiheid van een koers of etappe. Raymond Poulidor en Jacques Anquetil waren eigenlijk de laatste wielerhelden 'oude stijl'. Rond het fenomeen Eddy 'de kannibaal' Merckx, de grootste wielrenner van deze eeuw, hebben eigenlijk nooit veel legendes de ronde gedaan. Ook groeide deze jaren de invloed van de sponsors, die van hun wielerstal vooral positieve publiciteit verlangden. Maso beschrijft hoe goedgebekte renners als Gerrie Knetemann en Gerben Karstens er tijdens elk interview wel in slaagden driemaal de naam van hun sponsor te noemen.

Maso's Het zweet der goden beoogt eigenlijk het tegenovergestelde van het succesvolle Heldenlevens van Martin Ros uit 1987. Werden de vele legendes rondom 'de dwangarbeiders van de weg' door Ros juist zo smeuig mogelijk opgedist, Maso tracht ze tot hun juiste proporties terug te brengen. Zijn boek bevat vele staaltjes van debunking. Maar Maso erkent dat de wielersport het niet geheel mythes kan stellen, en gelukkig heeft hij niet alle anekdotes overboord gegooid. Zo haalt hij in de herinnering terug hoe Jan Janssen na zijn overwinning in de Tour over de radio tegen zijn dochtertje snikte: ' Karin, kindje, papa heeft de Tour de France gewonnen!'